dinsdag 24 november 2009
De Standaard - Hindoefeest in Nepal: 200.000 dieren geofferd
KATHMANDU - Honderdduizenden hindoes zijn dinsdag bijeengekomen bij een tempel in Zuid-Nepal om er het Gadhimai-festival bij te wonen. Ondanks protesten van dierenrechtenactivisten gaat het festijn, waarbij ruim tweehonderdduizend dieren zullen worden geofferd, gewoon door.
zondag 15 november 2009
A.H. over G.
Adolf Hitler on God: Quotes from Adolf Hitler Expressing Belief & Faith in God
1. Adolf Hitler: Acting According to God's Will
I believe today that my conduct is in accordance with the will of the Almighty Creator.
- Adolf Hitler, Mein Kampf, Vol. 1 Chapter 2
2. Adolf Hitler: Thanking God
Even today I am not ashamed to say that, overpowered by stormy enthusiasm, I fell down on my knees and thanked Heaven from an overflowing heart for granting me the good fortune of being permitted to live at this time.
- Adolf Hitler, Mein Kampf, Vol. 1 Chapter 5
3. Adolf Hitler: Deutschland Über Alles
I had so often sung 'Deutschland über Alles' and shouted 'Heil' at the top of my lungs, that it seemed to me almost a belated act of grace to be allowed to stand as a witness in the divine court of the eternal judge and proclaim the sincerity of this conviction.
- Adolf Hitler, Mein Kampf, Vol. 1 Chapter 5
4. Adolf Hitler: God's Grace Smiles
Once again the songs of the fatherland roared to the heavens along the endless marching columns, and for the last time the Lord's grace smiled on His ungrateful children.
- Adolf Hitler reflecting on World War I, Mein Kampf, Vol. 1, Chapter 7
5. Adolf Hitler: Fulfilling God's Mission
What we have to fight for is the necessary security for the existence and increase of our race and people, the subsistence of its children and the maintenance of our racial stock unmixed, the freedom and independence of the Fatherland; so that our people may be enabled to fulfill the mission assigned to it by the Creator.
- Adolf Hitler, Mein Kampf, Vol. 1 Chapter 8
6. Adolf Hitler: Fate of God
But if out of smugness, or even cowardice, this battle is not fought to its end, then take a look at the peoples five hundred years from now. I think you will find but few images of God, unless you want to profane the Almighty.
- Adolf Hitler, Mein Kampf, Vol. 1 Chapter 10
7. Adolf Hitler: Sin Against the Will of God
In short, the results of miscegenation are always the following: (a) The level of the superior race becomes lowered; (b) physical and mental degeneration sets in, thus leading slowly but steadily towards a progressive drying up of the vital sap. The act which brings about such a development is a sin against the will of the Eternal Creator. And as a sin this act will be avenged.
- Adolf Hitler, Mein Kampf, Vol. 1 Chapter 11
8. Adolf Hitler: Sacrilege Against God
Anyone who dares to lay hands on the highest image of the Lord commits sacrilege against the benevolent creator of this miracle and contributes to the expulsion from paradise.
- Adolf Hitler, Mein Kampf Vol. 2 Chapter 1
9. Adolf Hitler: Confidence in God
Thus inwardly armed with confidence in God and the unshakable stupidity of the voting citizenry, the politicians can begin the fight for the 'remaking' of the Reich as they call it.
- Adolf Hitler, Mein Kampf Vol. 2 Chapter 1
10. Adolf Hitler: Gold has Replaced God
It may be that today gold has become the exclusive ruler of life, but the time will come when man will again bow down before a higher god.
- Adolf Hitler, Mein Kampf Vol. 2 Chapter 2
Adolf Hitler on Christian Morality & Christian Society
woensdag 11 november 2009
dinsdag 3 november 2009
zaterdag 24 oktober 2009
Hoofddoek
Hoofddoek is helemaal niet verplicht volgens de Koran
Kledingvoorschriften voor de vrouw volgens de Koran
door: Werkgroep IBN .
Inleiding
Dit artikel gaat over de kledingsvoorschriften van de vrouw en de hoofddoek volgens de Koran. Dit is een omstreden onderwerp waar in de traditionele Islam vele en verschillende visies over bestaan. Wat wij echter met dit artikel zullen bewijzen, is dat de Koran zeer duidelijk is over de kledingsvoorschriften van de vrouw, en dat de hoofddoek zoals we die vandaag kennen absoluut geen plaats heeft in de Islam.
Kledingvoorschriften in de Koran
De verzen die over de kledingsvoorschriften van de vrouw gaan zijn 24:31, 24:60 en 33:59. We zullen nu stap voor stap de verzen langsgaan en uitleggen wat nou precies de kledingsvoorschriften van de vrouw zijn. Vers 24:31 vertelt ons:
"En zeg tot de gelovige vrouwen dat zij hun ogen neerslaan en hun schaamstreek kuis bewaren en dat zij hun sieraad niet openlijk tonen, behalve wat gewoon al zichtbaar is. En zij moeten sluiers over hun boezem dragen en hun sieraad niet openlijk tonen, behalve aan hun echtgenoten of hun vaders of de vaders van hun echtgenoten of hun zonen of de zonen van hun echtgenoten of hun broers of de zonen van hun zusters of hun vrouwen of slavinnen over wie zij beschikken of mannelijke volgelingen die geen geslachtsdrift meer hebben of de kinderen die nog niet op de schaamdelen van de vrouwen letten. En zij moeten niet met hun voeten stampen zodat men weet wat zij voor verborgen sieraad dragen. En wendt jullie berouwvol tot God, o gelovigen; misschien zal het jullie welgaan."
Dit is het vers waar de meeste controversie over bestaat, omdat hierin staat aangegeven wat de kuisheidsvoorschriften voor gelovige vrouwen zijn.
Het vers gebiedt ten eerste de gelovige vrouwen hun ogen neer te slaan. Dit is een gebod opdat de vrouwen bescheiden zullen zijn met hun blikken, wanneer ze geconfronteerd worden met leden van het andere geslacht (in 24:30 wordt mannen precies hetzelfde geboden). Het gebod houdt niet in dat de vrouw helemaal geen mannen mag aankijken, want er zijn genoeg andere verzen in de Koran die aangeven dat dat wel is toegestaan, mits het bovenstaande gebod in acht wordt genomen. Dit gebod spreekt voor zichzelf en is duidelijk voor zij die het verschil in beeldspraak en letterlijke bewoordingen inzien.
Het volgende gedeelte van het vers gebiedt:
"…en hun schaamstreek kuis bewaren.."
Kuis betekent proper, of netjes. Dit gedeelte van het vers spreekt zo duidelijk voor zich, dat het eigenlijk overbodig is om er verder op in te gaan. Het is duidelijk dat het onderwerp van dit gedeelte van het vers de schaamstreek is, die kuis bewaard moet worden. De schaamstreek ("faraj" in het Arabisch, "furuj" in het meervoud) wordt in de biologie gedefinieerd met de schaamdelen en hun omgeving.(1)
Natuurlijk zal men geen definitie krijgen van precies hoeveel centimeter onder, boven of naast de schaamdelen de schaamstreek begrenst wordt met de rest van het lichaam. Maar het moge duidelijk zijn dat het onderwerp van dit gedeelte van het vers, zowel de schaamdelen zelf, als de omgeving (omstreken, nabijheid) ervan kuis (proper, netjes) bewaard (bedekt) dienen te worden. Omdat de biologische structuur van elk mens apart is, kan er voor iedereen geen standaard omgeving worden bepaald. Maar het is duidelijk dat het de schaamdelen betreft en de omgeving ervan, wat meestal erop neerkomt dat de schaamdelen en de binnenkant van de dijen en het schaambeen en daar waar de schaamharen eindigen bedekt dienen te worden. De anus is ook een schaamdeel, en dient ook (met de omgeving ervan, dus de billen) bedekt te worden.
Het laatste gedeelte van de eerste zin van dit vers zegt:
"…en dat zij hun sieraad niet openlijk tonen behalve wat gewoon al zichtbaar is."
Dit gedeelte van de zin roept de meeste controversie op.Ten eerste over de definitie van wat "sieraad" eigenlijk inhoudt en wat er bedoeld wordt met "wat gewoon al zichtbaar is."
De Koran is echter geen wetboek of een woordenboek, maar een leidraad en een vermaning voor de gelovigen die ervoor bedoeld is in verschillende situaties en tijden toegepast te kunnen worden. Vandaar dat het taalgebruik in de Koran vaak heel flexibel is om geïnterpreteert te worden. Natuurlijk kan men niet tijdens het interpreteren afwijken van de structuur en inhoud van de rest van de verzen in de Koran en de verzen uit hun context rukken.
Het woord "sieraad" slaat op het woord "schaamstreek" wat eerder in de zin geschreven stond, maar zoals we later zullen zien in het vers worden ook andere delen van het vrouwelijke lichaam als "sieraad" gedefinieerd, namelijk de borsten, want het vers gaat verder met:
"En zij moeten sluiers over hun boezem dragen en hun sieraad niet openlijk tonen, behalve aan hun….."
Dit komt er op neer dat de vrouw haar schaamstreek en haar borsten dient te bedekken. Er blijft een gegeven over en dat is:
"…behalve wat gewoon al zichtbaar is."
Het is duidelijk dat de Koran de vrouw gebiedt haar "sieraden", ofwel schaamdelen en borsten kuis te bewaren en ze niet openlijk te tonen, behalve dat wat gewoon al zichtbaar is. Het zichtbare kan niets anders zijn dan de vormen van het vrouwelijke lichaam. Want als een vrouw zich kleed met de kuisheidsvoorschriften in acht genomen, zullen haar lichaamsvormen altijd wel duidelijk te zien zijn. En dan voornamelijk de rondingen van haar heupen en billen (sinds de vrouw over het algemeen grotere heupen heeft) en haar borsten (die over het algemeen opvallen door hun rondingen). Men kan deze rondingen wel zodanig bedekken zodat ze niet zichtbaar zijn, maar dan overschrijdt men het gebod in de Koran dat de vrouw haar "sieraden"(schaamstreek en borsten) dient te bedekken BEHALVE WAT GEWOON AL ZICHTBAAR IS.
Overdrijving is altijd ongeoorloofd, en dient geen enkel nut. Men mag zich niet kleden dat men teveel van zijn of haar eigen schaamstreken onthult, maar de koran geeft zeker niet aan dat de vrouw zich zo moet kleden dat haar gehele lichaam zou moeten worden verhuld. En vooral niet in de naam van de Koran, want het gebod omtrent de kuisheidsvoorschriften is duidelijk.
De tweede zin in dit vers begint met het gebod:
"En zij moeten sluiers over hun boezem dragen en hun sieraad niet openlijk tonen behalve aan hun…." (en dan volgt een lijst van familieleden en mensen zonder seksuele drang)
In dit gedeelte komt het woord sluiers voor, wat ook vaak in de traditionele Islam op verschillende wijzen wordt interpreteert en uitgelegd. De Koran is echter heel duidelijk. Het woord "sluier" staat in het Arabisch in de originele tekst met het woord "khumur" aangegeven. "Khumur" is het meervoud van het woord "khimaar" en betekent letterlijk in het Nederlands vertaald:"alles wat iets bedekt", ofwel een bedekking. (2)
Er is geen sprake van een "gezichtssluier" of een "hoofddoek" maar een sluier (bedekking, versluiering) om de boezem te bedekken. Het is niet logisch dat men een hoofddoek of een gezichtssluier over de borsten zou dragen. Dat zou betekenen dat men de "hoofddoek" of "gezichtssluier" van het hoofd of gezicht af zou moeten trekken, en daarmee de borsten zou moeten bedekken. Anderen interpreteren dit weer zo, dat de "hoofddoek" of "gezichtssluier" verlengd moeten worden en zo over de borsten kunnen worden laten vallen. Maar dan zal je op het feit botsen dat het werkwoord "verlengen", of "overheen trekken" niet in het vers voorkomt. Wat ook opmerkenswaardig is, is dat de woorden "nek","gezicht","haar","hals","oren" en dergelijke niet in het vers voorkomen. In feite komt het in geen enkel vers voor die over de kuisheidsvoorschriften van de vrouw of de man gaan. Beweren dat er een "sluier" of een "hoofddoek" bestaat die er voor bedoeld is om deze lichaamsdelen te bedekken, heeft absoluut geen basis in de Koran, en kan niets anders zijn dan de imaginaire visie van de interpretator van de tekst.
Het vers gaat verder met een opsomming van verwanten en familieleden voor wie dit kuisheidsvoorschrift niet geldt:
"….behalve aan hun echtgenoten of hun vaders of de vaders van hun echtgenoten of hun zonen of de zonen van hun echtgenoten of hun broers of de zonen van hun zusters of hun vrouwen of slavinnen over wie zij beschikken of mannelijke volgelingen die geen geslachtsdrift meer hebben of de kinderen die nog niet op de schaamdelen van de vrouwen letten."
Bovenstaande opsomming is duidelijk en spreekt voor zich. Het laatste gedeelte van de zin, "of de kinderen die nog niet op de schaamdelen van de vrouwen letten," laat duidelijk zien wat er in dit vers met "sieraad" wordt bedoeld.
Het vers gaat door met:
"En zij moeten niet met hun voeten stampen zodat men weet wat zij voor verborgen sieraad dragen."
Dit is weer beeldspraak vertaald uit de Arabische taal en duidt erop dat de vrouw niet verleidelijk moet bewegen om met haar schaamdelen te pronken.
"En wendt jullie berouwvol tot God, o gelovigen; misschien zal het jullie welgaan."
Hier wordt de mens geboden zich berouwvol tot God te wenden, gezien dit onderwerp er één is van gevoeligheid en het begrijpelijk is dat er mensen zullen zijn die de geboden niet correct zullen naleven.
Vers 24:60 is heel interessant en vertelt ons:
"En voor de vrouwen die op leeftijd zijn en die niet meer verwachten te trouwen is het geen overtreding als zij hun kleren afleggen, maar dan zonder sieraad te vertonen. Maar als zij het nalaten is het beter voor hen. En God is horend en wetend."
Dit vers laat zien dat hetgeen wat met "sieraad" bedoeld wordt, altijd dient te worden bedekt. Hetgeen wat afgezet mag worden kan dus niets anders zijn dan kleding die niet bedoeld is om het "sieraad", ofwel de schaamstreek en de borsten, te bedekken. Dit betekent dat de vrouw op latere leeftijd als ze niet verwacht ooit weer te trouwen, geen blaam treft als ze in het meest extreme geval al haar kleding afdoet, behalve haar ondergoed die haar schaamstreek en borsten bedekt. Maar als ze dat nalaat, dat is beter voor haar.
Het is dus duidelijk dat de nek, de rug,de buik,de armen, het gezicht de benen en het hoofdhaar in geen geval tot het "sieraad" ,ofwel schaamstreek of boezem, gerekend kan worden en in principe niet verplicht zijn om bedekt te worden.Zou men dat wel doen, dan zou dit vers tegenstrijdig zijn met de andere verzen die duidelijk gebieden dat het sieraad enkel de boezem en de schaamstreek betekent. Wat zou een vrouw op leeftijd nog af kunnen doen als haar sieraad haar hele lichaam bevat behalve haar gezicht, handen en voeten zoals velen van de traditionele islamitische interpretators menen?
Het vers zegt wel dat als de vrouwen die op leeftijd zijn en niet meer verwachten te trouwen het nalaten om wat van hun kleding af te doen zonder hun schaamstreek of borsten te tonen en er dus niet in hun ondergoed bijlopen er daar beter aan doen (het is echter niet verboden). Dit is een duidelijk bewijs dat hetgeen wat de vrouw dient te bedekken niets anders kan zijn dan hetgeen wat ze altijd moet bedekken, namelijk de borsten en haar schaamstreek.
Vers 33:59 vertelt ons:
"O profeet!Zeg tot jouw echtgenotes,jouw dochters en de vrouwen van de gelovigen iets van haar overkleding over zich heen naar beneden laten hangen.Dat bevordert het best dat men haar herkent en niet lastig valt.En God is vergevend en barmhartig."
Dit vers is geen vers dat de kuisheidsvoorschriften als onderwerp heeft, maar iets totaal anders. Het woord "sieraad" ,"boezem" of "schaamstreek" wordt hier niet genoemd en is ook niet het onderwerp dat hier centraal staat. Ook het woord "haar" wordt hier niet genoemd, ook al wordt de vrouw aangeraden om iets over haar lichaam naar beneden te laten hangen. Deze woorden zijn dus irrelevant in het begrijpen van dit vers.
Er staat dat de gelovige vrouwen aan wordt geraden (en niet verplicht!) om iets (en niet alles!) van haar overkleding (jalabib=Arabische mantelachtige gewaad) (3) over zich heen naar beneden te laten hangen. (het werkwoord "over zich heen laten hangen="dana" in het Arabisch) (4) omdat dat beter ("adnaa" in het Arabisch) voor hen is, met het enige doel om niet te worden lastig gevallen.
Er wordt niets in dit vers over de schoonheid van de vrouw gezegd, het woord "sieraad" ("zaynah" in het Arabisch) wordt er niet genoemd. Let ook op het woord "beter" of "adnaa" in het Arabisch dat in de vergelijkende trap is geschreven en daarom geen verplichting kan impliceren.
De betekenis van dit vers is dat het beter is voor de vrouw om haar overkleding over zich heen naar beneden te laten hangen, om niet lastig te worden gevallen en als moslim te kunnen worden herkend. Het onderwerp van dit vers is dus het voorkomen lastig gevallen te worden door mannen en om hiervoor te zorgen herkenbaar te zijn in de gemeenschap. Hierbij moet men rekening houden dat in een maatschappij waar de moslims nog de minderheid uitmaken, de vrouwen regelmatig het slachtoffer waren van ongewenste benaderingen door de mannen.
Om de situatie voor de vrouwen nog gemakkelijker en lichter te maken geeft de Koran aan het einde van dit vers aan dat God vergevend en barmhartig is, om ons te laten herinneren dat er vrouwen zullen zijn die de aangeraden (en niet verplichte) overkleding niet zullen dragen.
Moslimvrouwen zouden, als ze herkend zouden worden, vrijwel zeker minder worden lastig gevallen uit angst voor wraakacties of meer politieke instabiliteit. Verder zou deze aangeraden voorzorgsmaatregel niet praktisch zijn in een land waar de moslims de meerderheid uitmaken, omdat ze dan niet hoeven te vrezen om niet herkend te worden door de mede moslims en dus ook niet bang hoeven te zijn om lastig te worden gevallen.
Omdat herkenning en lastig vallen in een zin genoemd wordt is het logisch dat het herkennen en lastig vallen door een en dezelfde partij werd gedaan, en dat is de maatschappij van afgoden aanbiddende Arabische mannen van het Arabië van de 7e eeuw waar de moslims in het begin de minderheid van uitmaakten. Of vielen de vroege moslims hun eigen vrouwen lastig en hadden zij enige noodzakelijkheid om hun eigen vrouwen te herkennen in een tijd dat de moslims de minderheid van de maatschappij vormden waar iedereen elkaar persoonlijk kende?
Het woord "hijaab" (afscherming) in de Koran. Dit woord wordt in het moderne Arabische taalgebruik als "hoofddoek" vertaald, en is vaak het slachtoffer van misbruik door verkeerde interpretaties.
Het woord "hijaab" komt 7 keer voor in de Koran, en geen van de keren heeft het iets te maken met de kledingsvoorschriften van de vrouw. De verzen zijn als volgt:
7:46, 17:45, 19:17, 33:53, 38:32, 41:5, en 42:51.
Van deze 7 verzen gaan er maar 2 over de vrouw: 19:17 en 33:53.
De eerste gaat over Maria (Maryam) de moeder van Jezus:
19:16-19:17
"En vermeld in het boek Maryam.Toen zij zich van haar familie terugtrok naar een oostelijke plaats en een AFSCHERMING tegen hen maakte.Toen zonden Wij Onze geest naar haar en hij deed zich aan haar voor als een goedgevormd mens."
Het tweede gaat over de gasten in het huis van de profeet Mohammed:
33:53: "Jullie die geloven! Gaat de huizen van de profeet slechts binnen als aan jullie toestemming is gegeven om mee te eten maar zonder van te voren te gaan wachten tot het klaar is. Maar wanneer jullie uitgenodigd worden, gaat dan naar binnen. En wanneer jullie gegeten hebben gaat dan weer uit elkaar zonder te blijven praten; daarmee vallen jullie de profeet lastig en dan schaamt hij zich voor jullie, maar God schaamt zich niet voor de waarheid. En als jullie haar (de vrouwen van de profeet) iets om te gebruiken vraagt, vraagt haar dat dan van achter een AFSCHEIDING. Dat is reiner voor jullie harten en haar harten. Het past jullie niet Gods gezant lastig te vallen, noch dat jullie ooit na hem met zijn echtgenotes trouwt. Dat is bij God afschuwelijk."
In beide gevallen zien we dat het woord "hijaab" niet een kledingsstuk of een hoofddoek is, maar een scherm die gebruikt wordt om de privacy te garanderen, en dat het voor de profeet zijn gasten was om zich er voor te bevinden.
De rest van de verzen hebben absoluut niets met de "hijaab" als iets concreets te maken waar men iets mee kan afschermen. Nergens komt het woord "hijaab" voor in de verzen die over de kuisheidsvoorschriften gaan.
Er zijn moslims die menen de Islam te representeren en zeggen dat de vrouwen van de profeet als voorbeeld gelden voor de rest van de gelovige vrouwen .Er is geen twijfel aan dat de vrouwen van de profeet eigenschappen zouden kunnen hebben die voorbeeldig zouden kunnen zijn voor de moslimvrouwen, maar nergens in de Koran wordt een voorbeeldfunctie van de vrouwen van de profeet met betrekking tot de gelovige vrouwen genoemd. Sterker nog, er worden duidelijke verschillen genoemd waarbij het duidelijk wordt dat de vrouwen van de profeet een speciale plaats hadden in de Islam, die geen andere vrouw kan innemen, en sinds de dood van de vrouwen van de profeet ook niemand meer kan innemen.
Vers 32 van hoofdstuk 33 verteld ons:
"Vrouwen van de profeet! Jullie zijn als geen van de andere vrouwen. Als jullie godvrezend zijn weest dan niet bedeesd bij het spreken opdat niet iemand in wiens hart een ziekte is begeerte krijgt. En spreekt op een behoorlijke manier. En blijft in jullie huizen en vertoond jullie niet opgesmukt als vroeger in de tijd van de onwetendheid. En verricht de salaat en geeft de zakaat en gehoorzaamt God en Zijn gezant.God wenst slechts van jullie, de huisgenoten, de gruwel te verwijderen en jullie geheel rein te maken. En gedenkt wat van Gods tekenen en de wijsheid in jullie huizen wordt voorgelezen. God is welwillend en welingelicht."
De opening van het bovenstaande vers is duidelijk genoeg dat het een oproep is aan enkel de vrouwen van de profeet. Er wordt duidelijk gezegd dat zij als geen van de andere vrouwen zijn. De regels die zij opgelegd kregen door de verantwoordelijkheden die ze als de vrouwen van de profeet accepteerden, zijn voor niemand anders dan voor hen, tenzij de Koran dat anders aangeeft.
De twee verzen voorafgaand aan dit vers, geven duidelijk aan dat de vrouwen van de profeet een aparte plaats innamen ten opzichte van alle andere vrouwen en God, doordat ze door God anders werden behandeld:
De verzen 33:30 en 33:31 vertellen ons:
33:30-31: "Vrouwen van de profeet! Wie van jullie een duidelijke gruweldaad begaat, voor haar zal de bestraffing verdubbeld worden. Dat is voor God gemakkelijk. En wie van jullie aan God en Zijn gezant onderdanig is en deugdelijk handelt, aan haar zullen Wij haar loon twee maal geven en Wij hebben voor haar een voortreffelijke voorziening klaargemaakt."
Het is duidelijk dat de vrouwen van de profeet zware verantwoordelijkheden hadden, en daardoor ook in aanmerking kwamen voor hogere beloningen. Hun lot kan niet met de overige vrouwen vergeleken worden. De verzen die geboden bevatten die betrekking hebben tot de vrouwen van de profeet, zijn dus niet bindend voor de rest van de vrouwen. Er komt geen hoofddoek voor in de Koran. De woorden "hoofddoek", "hoofd", "haar", "sluier", "gezicht" of "hals" komen nergens in de Koran voor. Wel komt het woord "khumur" in de Koran voor, wat letterlijk "bedekking" betekent en er wordt geboden de BORSTEN te bedekken.
De hoofddoek zoals wij die vandaag kennen, komt uit de Iraanse cultuur van de Zoroastriers bij wie het voor de vrouwen EN de mannen verpicht was een hoofdbedekking te dragen en tijdens de religieuze diensten verplicht was voor beiden om een sluier voor hun mond te dragen (om het heilige vuur in de vuurtempel niet met hun adem te vervuilen). De Zoroastriers geloofden in het heilig zijn van de vier klassieke elementen: vuur, water, grond en lucht. Daarmee gingen ze met allerlei zeer extreme voorzorgsmaatregelen om.
Nadat de Arabieren Iran veroverden waren zij zo erg onder de indruk van de superieure cultuur in dat land, dat zij vrijwel alles klakkeloos overnamen en gingen mixen met de Islam. Later werd het in de Islam geïncorporeerd, maar het heeft absoluut GEEN Islamitische oorsprong. Het komt uit een ander geloof. HOE het in de Islam werd incorporeerd is een pijnlijke en zeer controversiele hoofdstuk in de geschiedenis van de Islam. Het gaat hier om het vervalsen en verzinnen van religieuze teksten (meestal de ahadiith, ev=hadiith) om de interpretatie van geestelijken en politieke leiders in de beginperiode van de Islam te doen laten overheersen. Beide traditionele stromingen in de Islam, het soennisme en het shi'isme hebben zich hieraan schuldig gemaakt. Maar dat is een ander verhaal.
Voor meer informatie over de Zoroastrische afkomst van de in de godsdienst verplichte sluier en de hoofddoek:
www.avesta.org
Een korte bijlage uit de Encyclopaedia Brittannica:
ENCYCLOPÆDIA BRITANNICA
purdah
also spelled PARDAH, Hindi Parda ("screen," or "veil"), practice that was inaugurated by Muslims and later adopted by various Hindus, especially in India, and that involves the seclusion of women from public observation by means of concealing clothing (including the veil) and by the use of high-walled enclosures, screens, and curtains within the home.
The practice of purdah is said to have originated in the Persian culture and to have been acquired by the Muslims during the Arab conquest of what is now Iraq in the 7th century Ad.Muslim domination of northern India in turn influenced the practice of Hinduism, and purdah became usual among the Hindu upper classes of northern India. During the British hegemony in India, purdah observance was strictly adhered to and widespread among the highly conscious Muslim minority. Since then, purdah has largely disappeared in Hindu practice, though the seclusion and veiling of women is practiced to a greater or lesser degree in many Islamic countries. See also harem.
En zie ook dit volgende stukje:
The tradition for women to cover themselves from head to toe and veil their faces when they go out in public is an old one, predating Islam in Persia, Syria, and Anatolia. The Qur'an provides instructions giving guidance on this matter but not a strict ruling. It has been the rigidly male-dominated world of the Middle East that has insisted on the strict veiling of women in public. The enveloping cloaks worn by women for this purpose are similar to one another and often incorporate a mesh panel through which women may peer at the world outside. The most common names for this garment are chador, chadar, chadri, çarsaf, and tcharchaf.
Zie www.britannica.com voor meer informatie over dit onderwerp, en zoek onder het woord "dress" en "veil".
Er is geen hoofddoek,gezichtssluier of zoiets dergelijks in de Koran.De woorden "haar" (sha3r), "hoofd" (ra's), gezicht (wajh) of nek (raqbah) worden niet in de Koran in combinatie met een kuisheidsvoorschrift genoemd.Enkel de schaamstreek, en de borsten.Zelf regels maken in de godsdienst en die verplichten door ze aan God toe te schrijven, zijn een grote zonde volgens de Koran en dient vermeden te worden.
De Koran vertelt ons:
10:60: "En wat zal de mening van hen die over God bedrog verzinnen op de opstandingsdag zijn? God is vol van goedgunstigheid jegens de mensen, maar de meeste mensen zijn niet dankbaar."
en
2:79: "Wee hen die het boek eigenhandig schrijven en dan zeggen:'Dit komt van God' om het voor een lage prijs te versjacheren. Wee hen dus om wat hun handen hebben geschreven en wee hen om wat zij eraan hebben verdiend."
Zelfs de profeet van God, Mohammed, heeft van God een duidelijke waarschuwing gekregen niet zelf regels of uitspraken te doen die niet van God komen:
69:40: "Niet dan? Ik zweer bij wat jullie doorzien en wat jullie niet doorzien,dat wat de gezant zegt voortreffelijk is. Het zijn niet de woorden van een dichter. Hoe weinig geloven jullie! Noch zijn het de woorden van een waarzegger. Hoe weinig laten jullie je vermanen! HET IS EEN NEERZENDING VAN DE HEER VAN DE WERELDBEWONERS. EN ALS HIJ OVER ONS ENIGE UITSPRAKEN ZELF BEDACHT HAD HADDEN WIJ HEM BIJ DE RECHTERARM GEGREPEN. DAN HADDEN WIJ HEM DE LEVENSADER DOORGESNEDEN. NIET EEN VAN JULLIE HAD DAT HEM KUNNEN AFWEREN."
----------------------------------------------------------------------------------------
Nu stel ik me de vraag wat nog het probleem kan zijn voor de Islam om te integreren in onze maatschappij. Een aan het westen aangepaste levenswijze is dus perfect mogelijk!
Is het onwil of onwetendheid of een combinatie van beiden?
De reacties op dat forum spreken voor zich!
Toevoeging:
Deze studie is het werk van "Werkgroep Islamitische Bewustwording Nederland"
vrijdag 23 oktober 2009
Brief aan een christelijke natie
boek vrijdag 23 oktober 2009Sam Harris
?Atheism is nothing more than the noises reasonable people make in the presence of unjustified religious beliefs.?
Als antwoord op de virtuele bergen post die Sam Harris ontving naar aan leiding van zijn boek The End of Faith. Religion,Terror, and the Future of Reason (2004) schreef hij een open brief terug, niet alleen aan al zijn critici, maar aan heel christelijk Amerika, en in feite gericht aan alle gelovigen. Het genre van een open brief is natuurlijk ironischerwijs ook een bijbels genre, zoals de evangelisatiebrieven van Paulus in het Nieuwe Testament. Harris laat er geen gras over groeien, in vlijmscherpe bewoordingen spreekt hij de lezer ? de christelijke gelovige ? aan en bekritiseert de opgeworpen verdedigingen voor het christelijk geloof. De stijl van Harris is prachtig. Een verademing voor wie wel eens theologische of postmoderne teksten onder ogen krijgt.
Harris maakt zich druk om de naar zijn zeggen 150 miljoen Amerikanen die echt geloven in het christendom en het christendom zien als bron van de moraal. Harris richt zich niet op liberale christenen die het niet zo nauw nemen met de dogma?s en voorschriften van hun geloof. Hij begint zijn brief met: ?You believe that the Bible is the word of God, that Jesus is the Son of God, and that only those who place their faith in Jesus will find salvation after death.? Ik wist eigenlijk niet dat er ?berhaupt nog mensen zijn die dit echt geloven. Maar die zijn er dus, in ieder geval in de VS.
Christenen menen dat het Christendom het enige ware geloof is en dat de Islam niet waar is. Athe?sten en christenen staan zodoende beiden kritisch tegenover de islam. Harris schrijft aan zijn lezers: ?The truth is, you know exactly what it is like to be an atheist with respect to the beliefs of Muslims. Isn?t it obvious that Muslims are fooling themselves? Isn?t it obvious that anyone who thinks that the Koran is the perfect word of the creator of the universe has not read the book critically? Isn?t it obvious that the doctrine of Islam represents a near-perfect barrier to honest inquiry? Yes, these things are obvious. Understanding that the way you view Islam is precisely the way devout Muslims view Christianity. And it is the way I view all religions.?
Zo doorloopt Harris een flink aantal argumenten voor het christendom die hij ??n voor ??n gemakkelijk omkegelt. De essentie van athe?sme en zijn kritiek op religie is intellectuele integriteit: ?when considering the truth of a proposition, one is either engaged in an honest appraisal of the evidence and logical arguments, or one isn?t. Religion is the one area of our lives where people imagine that some other standard of intellectual integrity applies.? Athe?sme maakt deel uit van een kritisch rationele houding en een wetenschappelijk rationalisme. Harris merkt op dat religie het domein is waar mensen gemakkelijk hun redelijkheid laten varen.
Harris besluit zijn brief met een pessimistische slotbeschouwing: ?This letter is the product of a failure ? the failure of the many brilliant attacks upon religion that preceded it, the failure of our schools to announce the death of God in a way that each generation can understand, the failure of the media to criticize the abject religious certainties of our public figures ? failures great and small that have kept almost every society on this earth muddling over God and despising those who muddle differently.? Het valt ook niet te verwachten dat deze vileine brief veel indruk zal maken op gelovigen. Zoals met de prachtige athe?stische literatuur van de afgelopen jaren is ook dit kleine boek een preek voor eigen parochie. Maar het is nodig dat de ongelovigen van zich laten horen om te trachten religie de wereld uit te helpen. Ik sluit mij aan bij Richard Dawkins die zijn introductie besluit met: ?Read it if this is the last thing you do. And hope that it won?t be.?
Recensie door Floris van den Berg
De recensent is filosoof en Executive Director van het Center for Inquiry Low Countries.
Sam Harris, Letter to a Christian Nation. A Challenge to Faith, Bantam Press, London, 2007, 96 pp., met een voorwoord van Richard Dawkins.
Sam Harris
Links
mailto:florisvandenberg@dds.nl
donderdag 22 oktober 2009
dinsdag 20 oktober 2009
Paul Clicteur: INTOLERANT VOOR DE INTOLERANTEN
Deze aarzeling, die zich zelfs bij de welwillendste observator van de religieuze herleving opdringt, wordt doorgaans gepareerd met de stelling dat het wel lijkt alsof dit sociale en politieke onheil met religie te maken heeft, maar dat dit in feite helemaal niet zo is. We zouden ons te veel concentreren op een ’kleine luidruchtige minderheid’. Bovendien, die luidruchtige en gewelddadige minderheid beroept zich weliswaar op religie, maar dat is een onheus beroep. Die groep maakt ’misbruik’ van religie. (Van religie kun je, net als van de vrijheid van meningsuiting, tegenwoordig ’gebruik’, maar ook ’misbruik’ maken). Religie is immers uit de aard der zaak vredelievend en goed. En het mag dan zo lijken dat ze in sommige gevallen aanzet tot haat en geweld, maar het zijn in feite andere factoren die daarvoor verantwoordelijk zijn. Menselijke machtshonger, ideologieën, politiek, fanatisme of de menselijke natuur tout court – dat zijn de ware oorzaken van het probleem, de werkelijke hoofdzonden van deze tijd. Terrorisme en ander geweldsgebruik hebben dan ook niets met religie te maken, maar met sociaal-economische factoren, met ’het arrogante Amerika’, met Israël en met het beleid van George W. Bush.
Tegenover dit religievriendelijke paradigma staat dat van het ‘New Atheism’. Schrijvers als Richard Dawkins, Christopher Hitchens, Sam Harris en Daniel Dennett halen enorme oplagen met hun boeken en spreken voor volle zalen over de confrontatie tussen atheïsme en godsdienst. De situatie in de Verenigde Staten lijkt op dat punt een beetje op Nederland tussen de twee wereldoorlogen, toen atheïsten als Anton Constandse in debat gingen met protestantse dominees. Dat trok een hoeveelheid publiek waarvan de meeste hedendaagse debatcentra alleen maar kunnen dromen. De nieuwe atheïsten verwachten dat alleen een einde zal komen aan alle ellende als – vrij naar Jean Meslier – de laatste koning gewurgd zal zijn met de darmen van de laatste priester. Dawkins en Dennett zijn de wetenschappelijke coryfeeën van de beweging, maar de grootste propagandist is ongetwijfeld Christopher Hitchens. Op YouTube kun je zien hoe moeiteloos hij de argumenten weerlegt van de hedendaagse religieuze apologeten: aanvankelijk Alistair McGrath, maar de laatste tijd ook steeds meer Denish D’Souza. Hoe onderhoudend dit alles ook is, het debat zit intussen wel een beetje in een impasse. Het atheïsme is nu eenmaal een hopeloos belast concept. Nieuwe atheïsten kunnen nog zo goed proberen uit te leggen wat zij ermee bedoelen, aan het atheïsme blijft het imago kleven van drammerigheid, arrogantie, agressiviteit en de pertinente onwil iets van waarde in de religieuze wereldbeschouwing te onderkennen. Het atheïsme telkens aanvallen op de vermeende arrogantie van zijn verdedigers en niet op de inhoud mag theoretisch een zwaktebod zijn, retorisch werkt het uitstekend. Hoe sterk het intellectueel ook kan worden verdedigd (en vooral Hitchens doet dat superieur), de strijd om de public relations heeft het atheïsme verloren. Is het dan niet beter het concept helemaal te laten vallen? Misschien zit het zo. Atheïsme valt te verdedigen als een ’private positie’, als een persoonlijke overtuiging van iemand die gelooft dat de argumenten voor het bestaan van God niet overtuigend zijn. Die positie in een publiek verband belijden is niet nodig en zelfs contraproductief. We moeten dus iets anders hebben. Maar wat? De zweverige Duitse filosoof en socioloog Jürgen Habermas zocht het tijdens zijn gesprek met de paus in 2005 in een al te welwillende houding tegenover een religiositeit waarin hij zelf niet echt gelooft, maar die hij in een demonstratie van grenzeloze tolerantie toch zijn seculiere zegen gaf. Dat lijkt me een weinig geloofwaardig alternatief. Maar wat dan wel?
Naar mijn idee moeten we proberen naast de religieuze taal een tweede, seculiere taal te spreken, een taal die een basis biedt voor communicatie tussen de verschillende gelovigen maar die zich aan geen van die soorten geloven geheel verpandt. Graag verwijs ik in dit verband naar het werk van Fernando Savater (1947). Ik denk dat Savater ons een perspectief voor modern burgerschap verschaft waarmee de minister van integratie onmiddellijk aan de slag kan gaan. Zijn boeken zouden – met kleine vereenvoudigingen – verplichte kost moeten zijn in het basisonderwijs en zelfs onaangepast in het middelbaar onderwijs (hij schrijft bijzonder toegankelijk). De ideeën van deze Spaanse filosoof vormen een perfecte basis voor duurzaam samenleven zonder dat mensen door de overheid worden teruggeduwd in de religieuze kaders waaraan sommigen zich met zoveel moeite hebben ontworsteld. We zouden hem zo naar Nederland kunnen halen als bruggenbouwer tussen religieuze en ideologische groeperingen. Fernando Savater is een van de populairste denkers van Spanje. Hij werd geboren in San Sebastián (het Spaanse Baskenland) en hij studeerde filosofie in Madrid. Om politieke redenen heeft hij in de nadagen van het Francobewind korte tijd gevangen gezeten. Hij moest ontslag nemen als universitair docent. Na de dood van Franco werd hij benoemd als hoogleraar ethiek aan de universiteit van San Sebastián en in 1993 als hoogleraar filosofie aan de universiteit van Madrid. Door zijn verzet tegen het terrorisme staat hij al jarenlang op de dodenlijst van de Eta. Van het Europees Parlement kreeg hij de Sacharov-prijs.
Laat ik beginnen met het anti-relativistisch uitgangspunt dat hij uitdraagt, de basis van veel van wat hij schrijft. In zijn onlangs verschenen Vrijheid, gelijkheid, burgerschap: zakwoordenboek voor mensen van morgen (Diccionario del ciudadano sin miedo a saber) zegt hij: “We hoeven niet te verhullen noch ons ervoor te schamen dat wij in het Westen ons met pijn en moeite ontdaan hebben van de voorouderlijke manier van leven (waarin we onder meer gebukt gingen onder een rigide hiërarchie van klassen en onder de knoet van een kerkelijke gedachtepolitie). Het zou absurd zijn de verovering van de hedendaagse vrijheid ongedaan te maken door het importeren van tradities van onderdrukking en bijgeloof.” Daarmee is natuurlijk de toon gezet voor een debat over de multiculturele samenleving. Maar Savater geeft daar verrassende wendingen aan. Bijvoorbeeld als hij het heeft over diversiteit. ‘Diversiteit van mensen is een gegeven feit, maar de gelijkheid van mensen is een sociale overweging, een verworven recht – en dat is iets wat veel belangrijker is vanuit menselijk oogpunt.’ Diversiteit is ook niet onbegrensd. Wij moeten leren leven in verscheidenheid, maar dat vooronderstelt een eenheid ten aanzien van de beginselen die dat mogelijk maken, houdt Savater ons voor.
Naar mijn idee heeft hij volkomen gelijk als hij het teleurstellend noemt dat de term ’diversiteit’ tegenwoordig als vooruitstrevend geldt, terwijl iemand die roept om ‘eenheid’ als ’bijna fascistisch’ wordt beschouwd. Opnieuw werkt Savater dat uit naar het heikele punt van de multiculturele samenleving. Over de veelbesproken kwestie of migranten aan hun eigen identiteit mogen vasthouden zegt hij: “Migranten hebben in beginsel gelijk als ze vasthouden aan hun gebruiken, gastronomie, hun vormen van vroomheid en proberen die met ons te delen – want de vrijheid dat te doen, is een van de vormen van rijkdom die wij bieden. Maar het bewaken van hun culturele erfenis is alleen goed mogelijk als dat gepaard gaat met het herscheppen van de tradities van hun gemeenschap in een vorm die past in onze rechtsstaat. Het werkt niet als men zich vastklampt aan tradities die strijdig zijn met democratische vrijheden.” Diversiteit is prima, kortom, maar die kan niet zover gaan dat mensen democratische waarden en rechtsstatelijke vrijheden uitleveren aan diezelfde diversiteit. Die staan recht overeind. Daar zit de ’eenheid’. Zelf ben ik geneigd dit op de volgende manier te onderstrepen: diversiteit kán alleen voortduren als er geen discussie bestaat over de waarden en normen die diversiteit mogelijk maken. Grenzeloze diversiteit, zoals het postmodernisme wil, is een recept voor chaos. Savater geeft ook richting aan het verwarrende debat over de plaats van religie in de samenleving. Moet religie publieke erkenning krijgen? Of is zij Privatsache? Savater zegt: “Leven in een seculiere samenleving betekent kortom dat niemand kan verhinderen dat jij een godsdienst praktiseert maar tegelijkertijd dat niemand jou een godsdienst kan opdringen.” En dan komt hij met een uitleg van een in zekere kringen verafschuwd standpunt: “Met andere woorden, religie (inclusief de religieuze houding om kerkelijke doctrines te negeren of aan te vechten in de naam van de waarheid, wetenschap, geschiedenis enzovoort) is een privé-aangelegenheid en een individueel recht voor en van iedereen, maar mag nooit tot een plicht van de gemeenschap worden.” Ik denk dat Savater hier een goede invulling geeft aan het woord ’privéaangelegenheid’. Dat woord wekt bij christen-democraten doorgaans het schrikbeeld op dat godsdienst in het publieke domein niet meer ‘zichtbaar’ zou mogen zijn. Gelovigen zouden religie ‘op het nachtkastje’ moeten laten liggen – wat natuurlijk onmogelijk kan, want je wilt toch voor je geloof kunnen uitkomen, nietwaar?
Dit is demagogie van het zuiverste water, want religie als ’privézaak’ betekent helemaal niet dat gelovigen in de maatschappij niet voor hun religie zouden mogen uitkomen. Dat mag iedereen – het is een recht dat wordt beschermd door artikel 6 van de Nederlandse Grondwet. Niet alleen in Nederland, ook in Frankrijk trouwens. Je mag in Frankrijk gewoon op straat lopen met een kruis om je nek en met een keppeltje of een hoofddoek op je hoofd. Geen mens die je iets in de weg legt. Waar de discussie om draait is ten eerste of de geloofsbeleving van gelovigen met publieke middelen mag worden betaald en ten tweede of de staat zelf in het religieuze dispuut stelling moet nemen door één of meer officiële godsdiensten te bevorderen boven andere godsdiensten of boven ongeloof. Op die vragen antwoordt het model van de religieus neutrale staat ontkennend. Dat model maakt, met andere woorden, een onderscheid tussen staat en maatschappij. En terwijl de maatschappij van zoveel religie doordrongen mag zijn als de burgers willen, mag de staat dat niet. Die moet als het ware ’boven’ de maatschappij staan, als een neutrale scheidsrechter.
Savater is ook niet zo’n voorstander van toegeven aan de wensen van terroristen. In sommige Europese landen bestaat de neiging om als een schrijver is vermoord onmiddellijk te twijfelen aan de vraag of de vrijheid van meningsuiting niet is doorgeschoten. Als het gaat om een schrijver die nare dingen over godsdienst schrijft dan stelt de minister voor toch maar eens de wetgeving betreffende godslastering te revitaliseren. Het is in Nederland voorgekomen dat in 1987, één minuut voor de uitzending, een minister naar een televisieprogramma opbelde om de programmamakers te ontraden een filmpje uit te zenden omdat dit onwelgevallig zou kunnen zijn aan mensen die niet gewend zijn aan religiekritiek. Het filmpje werd niet uitgezonden. Het leereffect daarvan op ayatollah Khomeini, die twee jaar later een fatwa over Rushdie uitsprak, verdient nog eens nader onderzoek. Hoe het ook zij, Savater is niet voor toegeven. Hij zegt: “Het is dan ook duidelijk dat een democratische rechtsstaat niet in ’dialoog’ kan gaan met terroristen, omdat die niet in hetzelfde politieke of morele domein opereren.” Vreemd, je voelt altijd direct wanneer iemand enige ervaring heeft met terrorisme. Dan hoor je iemand niet meer klagen over het opsteken van een sigaret in een kruitfabriek, maar zich afvragen hoe de samenleving in een kruitfabriek is veranderd. Savater zegt: “Sommigen beweren dat terrorisme een kwestie van definitie en perspectief is, dat ideeën niet strafbaar zijn en dat iedereen moet kunnen worden vertegenwoordigd in het parlement. Dat is onzin. Er zijn ideeën – denk aan rassenwaan, vrouwenonderdrukking, homohaat, discriminatie van moslims – die ten principale niet toelaatbaar zijn in de democratische arena, omdat zij fundamenteel botsen met de regels van de vrije omgang tussen burgers. En dat geldt ook voor ideeën die steun geven aan gewapende strijd of aan terrorisme in een democratische samenleving”.
Ik heb soms de indruk dat in Nederland de échte punten niet aan de orde komen. Tegenwoordig hebben wij het gevoel dat samenleven problematisch is geworden. Onderschrijven we allemaal nog wel dezelfde waarden? Maar omdat we die discussie niet aandurven, voeren we een discussie over iets dat erop lijkt, maar dat we een minder gevaarlijk onderwerp vinden. We praten bijvoorbeeld over een canon van historische feiten. Zouden we niet allemaal moeten weten dat Willem van Oranje in Delft door Balthasar Gerards is vermoord? Of we praten over de literaire canon. Moet niet iedereen Multatuli gelezen hebben? Dit soort discussies zit er net naast. Het gaat immers om een gemeenschappelijk gedeeld geheel aan waarden en normen, niet om de gebrekkige kennis van historische feiten en van de Nederlandse literatuur. Die canondiscussie komt bij het echte onderwerp alleen in de buurt. Toch, uiteindelijk moeten we aan de orde durven stellen dat de gehele burgerij de basiswaarden van rechtsstaat, democratie en mensenrechten moet onderschrijven. Vervolgens kun je – natuurlijk – discussie voeren over wat die waarden zijn, wat ze inhouden en wat in overeenstemming en wat in strijd is met die waarden. Maar elk gesprek daarover van tafel vegen als ’provocatief’, ’niet-respectvol’ of anderszins ongewenst, stelt het noodzakelijke gesprek alleen uit.
Savater wijst ook af wat ik wel eens ’Verlichtingsoptimisme’ heb genoemd: de overtuiging dat Verlichte waarden vanzelf wel ingang vinden. Als een belangrijk Verlichtingsoptimist verwijst hij naar Markies de Condorcet (1743-1794). We moeten goed voor ogen houden, schrijft Savater, dat vooruitgang niet te danken is aan een of ander mechanisme van de Voorzienigheid of van de geschiedenis. Dat laatste dacht Condorcet, maar Savater bestrijdt dat. Hij zegt: “Vooruitgang is altijd en overal louter het resultaat van onze eigen bewuste inspanning, van ons eigen vermogen om te vechten tegen wat slecht is en te vechten voor wat beter is.” Dit zou tegenwoordig wellicht als veel te theatraal en militant worden opgevat, maar ik denk dat hij gelijk heeft. Het is ook verstandig, zoals Savater opmerkt, dat we altijd voor ogen houden dat we in onze worsteling voor vooruitgang kunnen stuiten op tegenvallers en onverwachte hindernissen. “Geen enkele fase in de verovering van de beschaving is definitief in marmer gebeiteld, op elk moment kan hernieuwde tirannie opduiken of kan de afbladdering van onze civilisatie inzetten als we haar verwaarlozen.” Voorondersteld aan een dergelijke overtuiging is natuurlijk dat niet alleen ons huis, onze auto en andere onderdelen van de materiële cultuur letterlijk onderhoud vergen, maar ook het immateriële deel van onze cultuur. Opnieuw een gedachte die velen als wonderlijk zal voorkomen. Mensenrechten, democratie, rechtsstaat – dat is toch gewoon verwerkelijkt? Wat wil die man?
Magistraal is de omschrijving die Savater geeft van wat ‘progressief’ is. Hij zegt dat progressief zijn inhoudt dat je ‘bereid bent de strijd aan te gaan tegen slechte veranderingen en je sterk te maken voor het in standhouden van wat goed is.’ Zo kan het zijn dat de beste manier om vooruit te komen bestaat uit het ‘beschermen van bestaande sociale en culturele verworvenheden die verloren dreigen te gaan’. Dit lijkt mij een belangrijk punt; het laat precies zin waarom de huidige manier om een tegenstelling tussen rechts en links te construeren zo onzinnig is. Het probleem met deze tijd is niet dat de waarden van democratie, rechtsstaat, tolerantie en mensenrechten niet meer als idealen worden gezien, maar dat mensen denken – in het bijzonder de intellectuele en bestuurlijke elite – dat ze geen verdediging behoeven. Elke vorm van verdediging wordt afgewezen als militant, agressief, zelotisch, theatraal, fundamentalistisch, onnodig, provocatief, polariserend of ‘moreel hysterisch’. Radicale religieuze predikers met de meest bizarre ideeën over de man/vrouwverhouding, religieuze straffen en homoseksualiteit wordt de hand boven het hoofd gehouden. Zij krijgen prestigieuze staatsprijzen en lucratieve onderzoeksopdrachten. Het lijkt wel alsof een decadente culturele en politieke elite haar tolerantie wil demonstreren door het intolerante salonfähig te verklaren. Vanwaar die cultivering? Is het angst voor de overmacht van de vijand? Een onbewuste poging om bij de machthebbers in het gevlij te komen (het Stockholm-syndroom)? Of is het naïef optimisme dat bestaat uit het onderschatten van de vijand? Mag je überhaupt nog wel spreken van een ‘vijand’ van de open samenleving? Karl Popper had het na de Tweede Wereldoorlog over ‘de open samenleving en haar vijanden’. Zoiets zou tegenwoordig al snel verdacht worden gemaakt. Toch zijn die vijanden er wel degelijk. Al Zawahiri is een vijand van de Open Samenleving. Bin Laden ook. De taliban zijn dat evenzeer. En de invloed van de heren strekt verder dan de grotten in het onherbergzame Pakistan. Nu zal de hedendaagse elite (een beetje sadder and wiser dan een paar jaar geleden) dat waarschijnlijk wel erkennen, maar de leden daarvan denken dan weer dat het hierbij gaat om spoken die door de regering-Bush zijn opgeroepen. Om fantomen die vanzelf zullen verdwijnen als Obama met zijn verzoenende redevoeringen de wereld tot rust brengt. Ik help het ze graag hopen.
De auteur is hoogleraar encyclopedie van de rechtswetenschap aan de Universiteit Leiden en auteur van ‘Esperanto Moral: por un ética laïca’ (2009), eerder verschenen bij De Arbeiderspers, Amsterdam als ’Moreel Esperanto’. Bij uitgeverij Blackwell zal in 2010 zijn nieuwste boek ‘The Secular Outlook’ verschijnen. Het werk van Fernando Savanter wordt in Nederland uitgegeven door Bijleveld, Utrecht.
Deze tekst verscheen eerst in Trouw.
Paul Cliteur
Links
mailto:paulcliteur@gmail.com
zaterdag 17 oktober 2009
een preek
A reply to my atheist critics. You can download an audio version of this video at http://patcondell.libsyn.com
Wel, ik heb nogal veel respons gekregen op mijn video
over de islamo-nazi’s die een fundamentalistische wig proberen te drijven
in de Britse samenleving met de medeplichtigheid van onze corrupte en domme politici.
En sommige van de meest positieve boodschappen die ik kreeg,
kwamen van moslims die zelf gegeneerd waren door de handelswijze
van dit soort lui, wat zeer welkom was. Dank u ten zeerste daarvoor.
Onvermijdelijk was er ook veel negatieve feed-back
van de ‘gewone’ religieuze gekken, maar ook van enkele atheïsten
die me zegden dat ze denken dat ik atheïsme een slechte naam geef,
ja natuurlijk, alsof het ooit een goede naam had...
Men zegt me dat mijn argumenten te grof zijn.
Ik schaad de atheïstische zaak. Ik lever geen bijdrage tot het debat en - mijn persoonlijke favoriet - je zal niemand tot het atheïsme bekeren door mensen te beledigen.
Wel, O.K...uhm..
Eerst en vooral wat mijn grofheid betreft,
we spreken hier over religie, als u dat nog niet zou gemerkt hebben,
er is niets grover dan monotheïstische dogma’s.
Ik bedoel maar, ik kan alleen maar dromen van zo’n niveau van grofheid,
maar alleen om u ter wille te zijn, beloof ik echt mijn best te doen.
Natuurlijk zou ik meer respect willen betonen
voor de eerlijke geloofspunten van mensen,
maar jammer genoeg zou dat indruisen
tegen mijn eigen eerlijke overtuiging
dat religie een vuile leugen is
en een bedreiging voor onze beschaving.
U begrijpt dus mijn probleem.
Bovendien denk ik niet dat ik iemand beledig
die dat niet duizend maal verdient.
Ik denk ook dat als we wat meer zouden beledigen
in plaats van zinloos te debatteren,
religie niet zo’n valselijk opgeblazen idee
van zijn eigen belangrijkheid zou hebben,
en er zouden misschien niet zoveel mensen op deze wereld rondlopen
die willen dat wij allemaal ons leven leiden in navolging
van ideeën en verhalen waarvoor zelfs een tweederangs
romanschrijver zich zou schamen.
Ik denk dat in debat treden met dogma’s
ze helpt legitimeren en ze aldus een status bezorgt die ze niet verdienen.
Met hun arrogante bemoeizucht hebben ze
al lang geleden alle aanspraken op respect verspeeld.
Te veel vrijpostigheden werden reeds begaan.
Men heeft religieus dogma terrein laten bezetten
waar het geen recht op heeft en een autoriteit voor zich op te eisen
die het niet kan hard maken.
En ik denk niet dat dit nog een zaak voor beleefd debat is.
Dit is in het bijzonder het geval omdat het enige wat je dan krijgt
de klassieke resem glibberige maar niet te verifiëren ‘zekerheden’is,
die men probeert in je te kloppen als kistnagels
telkens je ze daartoe de kans geeft.
Dogma is immers blind en doof voor alles wat de rede biedt.
Over geloof valt niet te onderhandelen, dus waar is dan nog het ‘debat’?
Jij aanvaardt de wetten van de rede, het geloof negeert ze,
wat uw antwoorden al neutraliseert voor je ze uitspreekt.
Het geloof interesseert zich niet voor om het even wat jij zou willen zeggen.
Het wacht enkel tot jij even moet ademhalen om dan vlug te zeggen
dat je je er toch moet bij neerleggen omdat het nu eenmaal neergeschreven staat in dit boek.
Op dit ogenblik zijn er in het Verenigd Koninkrijk
enkele christelijke fanatici aan het pogen een vervolging te laten instellen
voor godslastering tegen de producenten van een populaire komische opera.
Nu, het idee alleen al van godslastering,
het idee dat godslastering bestaat als een concept,
zegt voor mij reeds alles over het geloof,
want wat dat dan echt betekent is dat sommige mensen
zich beledigd voelen in de plaats van god.
Ze vertrouwen er blijkbaar niet op dat god voor zichzelf wel zal beslissen
of hij zich beledigd voelt en of hij daarop gepast wenst te reageren
op de dag des oordeels.
Nee, zij willen de bestraffing toegediend zien worden
hier op aarde en dit voor hun eigen genoegdoening.
Want het gaat toch niet echt om god, niet?
Het gaat echt wel om henzelf en hun persoonlijke geestesziekte,
zoals dat zo vaak het geval is wanneer religie wordt uitgebuit
en misbruikt door achterlijke enggeestige dwepers.
Het is dezelfde mentaliteit die wil dat we allen verplicht worden
in het verleden te blijven steken.
Nu heeft het verleden veel waaruit we kunnen leren,
maar ik denk niet dat het ons tegen onze wil mag vastzetten.
Vrij zijn van geloof, van de onbewezen geloofspunten van anderen,
is een fundamenteel mensenrecht, of dat is toch mijn visie daarop.
En een aantal zeer vastberaden mensen zouden dat recht willen afnemen,
en als we daar niets aan doen, zullen ze daarin nog slagen ook.
Misschien denkt u wel dat de beste manier om hiermee om te gaan
een beleefd debat is, waarin je dan al je standpuntjes en tegenargumentjes kan uiteenzetten en aan ons allen kan tonen wat een slimmerik u wel bent.
En dat zal dolle pret zijn voor u.
En het goede nbieuws is dat u zich zelfs geen zorgen moet maken dat iemand als ik zou langskomen om uw zaak te schaden, want u heeft helemaal geen zaak, u heeft enkel een hobby.
Indien god zou bestaan en als ik ook maar enige reden zou vinden
om hem iets te vragen, dan zou het zijn dat ik hem zou vragen
mij te redden van de vloek der beleefde en respectvolle atheïsten.
Het geloof is vandaag de dag ontspoord
precies omdat te veel mensen te lang te diplomatisch geweest zijn.
Als we jaren geleden de moed zouden gehad hebben
om eens klare taal te spreken, wat we hadden moeten doen
en als we die beledigende nonsens op zijn plaats hadden gezet,
de plaats van astrologie en handpalmlezen,
dan zouden we hier vandaag niet eens meer hoeven te spreken,
we zouden iets nuttiger met onze tijd doen.
Wat een verspilling van de verlichting!
Dus is mijn standpunt vrij duidelijk: geloof wat u wil,
maar als u wil dat ik dat ook geloof moet u mij bewijzen geven
of verwachten dat ik ga spotten en u ridiculiseren.
Verwacht van mij geen beleefd debat.
Ik probeer niemand tot wat dan ook te bekeren.
Het kan mij geen moer schelen wat men gelooft,
zolang ik het maar niet hoef te aanhoren,
en daarmee bedoel ik ook de neerbuigende atheïsten,
noteer dat maar.
Ik ben niet geïnteresseerd in argumentaties over het bestaan van god,
het kan mij geen zier schelen.
Als hij bestaat dan mag hij voor mijn part eieren gaan leegzuigen,
waarlijk, hij kan zichzelf gaan bekennen, in de bijbelse zin dan...
Want ik wil niets te maken hebben met gelijk welke god
die aanzet tot moord in zijn naam,
zoals de god-van-de-woestijn herhaaldelijk doet.
Ik zou me zelfs beschaamd en gegeneerd voelen,
geschapen te zijn geweest door iemand met zo’n domme overtuigingen,
waarom ik daarover dan ook nooit zou opscheppen.
Ik zal dus doorgaan met het opsteken van mijn middenvinger
naar zijn zogenaamde religie,
en u mag gerust verder gaan met uw beleefde gesprekken
en wie weet komt u zelfs tot een of ander vriendschappelijk compromis
waarbij u maar de helft van uw leven op uw knieën moet zitten.
Misschien is dat voor u wel aanvaardbaar,
en als dat niet lukt, heeft u tenminste toch iets om u bezig te houden,
wat eigelijk toch het belangrijkste is, niet?
O.K. dat is genoeg.
Vrede en liefde aan elk en iedereen.
woensdag 1 april 2009
markies D.A.F. de Sade
Donatien Alphonse François, marquis de Sade, Frans schrijver, geboren te Parijs en gestorven in het verzorgingstehuis van Charenton waar Napoleon hem had laten opsluiten als ongeneeslijke gek (1740-1814); auteur van Justine, Juliette, Aline en Valcourt, enz. Zijn romans, beroemd door hun kwaadwillige obsceniteit, hebben geen enkele literaire waarde. (uit: Larousse Universel 1922)
Naar aanleiding van het lanceren van de film “De SM Rechter” werd in de pers gretig gebruik gemaakt van het woord 'sadisme' om de sfeer van zweepjes en latexondergoed weer te geven, zonder evenwel dieper op dat woord in te gaan. De term werd gelanceerd door de Duitse psychiater Richard von Krafft-Ebing in zijn werk Psychopatia sexualis uit 1889. Hij benoemde hiermee het bestaan van een seksuele perversie of afwijking, waarbij we niet mogen uit het oog verliezen dat hij alle seksuele contacten die niet klassiek-hetero-volwassenen waren (inbegrepen het voorspel) als pervers benoemde. De tijden zijn veranderd, maar laat ons eens nagaan wie die de Sade wel was.
De Sade werd opgevoed door zijn oom Jacques-François de Sade, die priester was maar er een zeer brede en libertijnse opvatting en levensstijl op nahield, en ook bevriend was met Voltaire en zijn Emilie. Hij volgde school bij de Jezuïeten op Louis-le-Grand. Als lid van de oude adel (noblesse d'épée) had ons hoofdpersonage na deelname (als kolonel van de dragonders) aan de zevenjarige oorlog van Frankrijk met Pruisen, een rustig leventje kunnen leiden. In 1766 arrangeert zijn vader, die vindt dat het liederlijke leven van zoonlief in toom moet gehouden worden, een huwelijk met de rijke dochter van de voorzitter van de rechtbank Renée-Pélagie de Montreuil. Het gezin vestigt zich in Lacoste (Provence) waar hij bij haar twee zonen en een dochter verwekt. Hij bouwt er ook een theater. Hij trekt meer en meer op met zijn jongere schoonzuster Anne-Prospere. Hij krijgt zijn eerste veroordeling wegens godslastering en raakt er op Pasen 1768 in de problemen wanneer een prostituee die hij al dan niet gevangen houdt, ontsnapt en grootse verhalen vertelt over haar seksuele verplichtingen op het kasteel. De Sades libertijnse en atheïstische levensopvattingen brachten hem vaak in conflict met de overheid, maar zouden evenmin als een aantal seksuele vergrijpen tot een veroordeling hebben geleid, als zijn schoonmoeder hem niet door middel van een “lettre de cachet” zou hebben aangeklaagd. Dit is een soort voorwaardelijke gevangenisstraf die buiten de rechtbank door de koning opgelegd wordt, en elk moment op last van de koning kan in uitvoer gebracht worden. Zeer gevreesd door de Franse progressieve krachten, en vrijwel onmiddellijk na de Franse Revolutie afgeschaft. Schoonmoeder was de strapatsen niet alleen beu, ze zag eveneens hoe de schoonzoon het familiefortuin verbraste.
In 1172 begint het serieus te worden. Te Marseille wordt hij betrokken bij een zaak waar prostituees bijna het leven laten na een overdosis Spaanse Vlieg. Dit is een keversoort (lytta vesicatoria) die gedroogd het krachtige gif cantharidine oplevert. Dit blaartrekkend gif zou ook een afrodiserende werking hebben, maar kan bij onoordeelkundig gebruik zelfs tot de dood leiden. Samen met zijn knecht wordt hij beschuldigd van sodomie, homoseksuele handelingen. Ze krijgen de doodstraf maar slagen er in te vluchten naar Italië, samen met zijn schoonzuster. De markies pendelt terug naar Lacoste, waar zijn vrouw hem blijft helpen bij zijn ontsnappingen. Hij neemt personeel in dienst dat echter zelden lang blijft. De Sade verlangt meer van hen dan het kuisen van de sla. Van eentje komt in 1777 de verontwaardigde vader rekenschap vragen: hij vuurt van dichtbij zijn revolver af maar mist toch nog de Sade. Datzelfde jaar lokt men hem in de val door hem naar zijn zieke moeder (die in werkelijkheid reeds gestorven was) te lokken. Opgesloten in het kasteel van Vincennes wordt hij weliswaar vrijgesproken in verband met de zaken van 1172, maar schoonmoeder slaagt er in haar “lettre de cachet” te laten uitvoeren en de markies blijft vastzitten. In 1784 wordt hij overgeplaatst naar de gevangenis van de Bastille. De 2e juli 1789 speelt hij een glansrol: vanuit zijn celraam schreeuwt hij naar de voorbijgangers dat er binnenin gevangenen vermoord worden. Het komt herhaaldelijk tot opstootjes en de overheid besluit de Sade over te brengen naar het krankzinnigengesticht van Charenton nabij Parijs. Op 14 juli 1789 wordt de Bastille ingenomen, de Franse Revolutie is begonnen!
In 1790 wordt hij vrijgelaten en de lettres de cachets worden vernietigd. Zijn vrouw scheidt van hem. De Sade begint een verhouding met de actrice Marie-Constance Quesnet, een alleenstaande moeder met een zesjarige zoon. Zij blijven een koppel tot zijn dood. Intussen staat hij vierkant achter de Revolutie en is zelfs een radicaal: hij wordt verkozen tot woordvoerder van de 'groupe des piques' die als thuisbasis de Plaçe Vendome hebben. Hij lanceert de ene atheïstische petitie na de andere, ageert tegen diegenen die een nieuwe godsdienst van de rede of zelfs een nieuwe godsdienst van het Opperwezen willen invoeren ter vervanging van het gediscrediteerde christendom. Vergeten we niet dat het deïsme bijzonder populair was, bv Voltaire's versie waar een god alles geschapen heeft maar er zich verder niets meer van wil aantrekken. Markies de Sade schreef teksten ter verdediging van Marat en Pelletier, maar kreeg het intussen herhaaldelijk lastig met zijn aristocratische achtergrond. Zo plunderde het volk zijn kasteel te Lacoste, en de Sade ziet zich verplicht de ruïnes te verkopen. Het kasteel is sinds 1990 in bezit van Pierre Cardin. De zoon van markies de Sade deserteert uit het revolutionaire leger en zijn eigen naam verschijnt ten onrechte op de lijst van de uitwijkende adel (de émigres) die zich aan het organiseren zijn voor een tegenoffensief. Hij trekt zich terug uit de vuurlijn maar wordt nu beschuldigd van “moderatisme”. Fouquier-Tinville beschuldigt hem van spionage en samenheulen met de vijand. Hij ontsnapt nauwelijks aan de guillotine, en zal er door de verwarring die administratief heerst – sommigen insinueren een door Constance Quesnet betaalde 'pots-de-vin' – weer in slagen onder te duiken. Robespierre verliest de pedalen en het hoofd, waardoor de markies wat ademruimte krijgt. Gans de historie bevestigt hem wel in zijn afkeer voor de staat als onderdrukker, en zijn teksten en tussenkomsten tegen de doodstraf krijgen een persoonlijk kleurtje.
In 1801 stuurt de Sade zijn nieuwste roman Justine en Juliette naar Napoleon. Volgens de legende zou Napoleon het boek in het vuur gegooid hebben, in ieder geval schrijft hij in zijn dagboeken van op Elba dat dit het slechtste boek is dat hij ooit in handen heeft gekregen. Tegelijk circuleert er een boekje Zoloë et ses deux acolythes. Het boekje vertelt zonder omwegen de intiemste details van het beruchte sexleven van Josephine de Beauharnais, de vrouw van Napoleon. Het boekje staat vol met details die enkel door de 'incrowd' gekend zijn. Alhoewel de Sade zijn best had gedaan het auteurschap anoniem te houden, kan hij niet ontsnappen aan de woede van Napoleon. Komt daarbij dat Napoleon bezig is de paus gunstig te stemmen, hij wil daarvoor zelfs kerkelijk trouwen (alhoewel hij tot afgrijzen van de paus van de plechtigheid één grote Napoleonshow zal maken) en de Notre-Dame aan de kerk teruggeven. De zedeloze atheïst D.A.F. De Sade is een ideaal geschenk op het altaar van de verzoening met de kerk.
Napoleon neemt echter geen risico: deze keer geen gevangenis maar het gekkenhuis. Hieruit is geen ontsnappen meer mogelijk. De Sade is intussen echter volledig verarmd en overleeft met wat zijn vriendin en schoonzus hem bezorgen (en dat is niet alleen voedsel maar eveneens allerlei seksueel speelgoed). Hij slaagt er eveneens in honderden bladzijden pornoverhalen te schrijven, maar de manuscripten worden in het bijzijn van zijn zoon bij het overlijden van de Sade door de politie verbrand. De directeur van het gesticht, die zijn tijd vooruit is op het vlak van geesteszorg, laat de Sade theaterstukken schrijven en opvoeren door de bewoners (geen porno).
Pas recent zijn de nakomelingen terug in de schijnwerpers gekomen: er valt weer wat geld te verdienen met de markies. Via De Morgen kon men een paar jaar geleden zelfs goedkoop aan het boek 120 dagen van Sodoma geraken, maar het is allang niet meer nodig de boeken van de Sade onder de toonbank te verkopen. Uit een bespreking: “… toont de Sade als een groot vormgever, die de wending markeert van de 18e eeuw naar de Nieuwe Tijd. … de Sade gezien als de schepper van een taalsysteem waarin een eindeloos aantal aberraties getransformeerd wordt naar het vlak van de vorm.” De Sade bouwt zijn eigen wereld op, een wereld die niet werkelijk is, maar een decor waarin de mens rondhuppelt als wezen dat in principe tot alles in staat is. Een wezen dat maar één doel heeft: zo veel mogelijk genot. De Sade blijft de trotse edelman die met verbazing neerkijkt op de rest van de wereld. Wanneer de Sade in de gevangenis zit in verband met de Spaanse Vlieg problemen, beklaagt hij zich over het onrecht dat hem aangedaan wordt: “ en dat allemaal voor een stelletje hoeren”. Denk daar maar eens aan als je één van zijn boeken probeert te lezen.
De Sade was een radicale gewetenloze toepassing van een extreme vorm van rationeel denken, maar verviel daardoor in een karikatuur van de absolute irrationaliteit. Het is te gemakkelijk de Sade te herleiden tot zijn pornografische werken, maar wie zijn privéleven bestudeert vindt ook daarin weinig stichtends. Hij was een voorstander van absolute vrijheid, op zijn minst van de wellust, ongeremd door moraliteit, religie of wet, met de zoektocht naar persoonlijk vermaak als het hoogste doel. Als er geen god bestaat om hem te straffen, als de controle door de staat te verwerpen is, wie zou de Sade dan mogen tegenhouden? Voer voor moralisten!
Uit “de filosoof in de slaapkamer”. Na een lange opsomming van de kwaliteiten van de man waar
ze een afspraak mee heeft, begint het hoofdpersonage te vermoeden dat er toch een foutje aan de gast zit : “Hij gelooft toch niet in God, hoop ik?”
woensdag 11 maart 2009
CHEVALIER DE LA BARRE
DE LAATSTE DIE IN FRANKRIJK TER DOOD WERD VEROORDEELD WEGENS GODSLASTERING
Echte naam : François Jean Lefebvre de La Barre, genoemd Chevalier de La Barre naar zijn vaders eretitel. La Barre is een gemeente in het Franse departement Haute-Saône (regio Franche-Comté), waar trouwens de fictieve captain Jean-Luc Picard van het ruimteschip Enterprise op 13-7-2305 geboren werd (Star Trek).
Geboren in Frankrijk in 1746 in het kasteel van Férolles-en-Brie (thans Férolles-Attilly) zal hij sterven op de brandstapel te Abbeville (Fr) op de 1e juli van 1766. 1 juli is sindsdien de al dan niet officieel erkende "dag van het atheïsme".
OPMERKING: de Petit Larousse Illustré meldt enkel dat de Chevalier onthoofd werd. Dit lijkt weinig waarschijnlijk aangezien de onthoofding geen religieuze straf was (eerder voor moordenaars en gewone misdadigers). Daarenboven werd de guillotine slechts in 1791 als humanisering van de doodstraf ingevoerd, de hakbijl lijkt als straf voor de “Chevalier” niet voor de hand te liggen. De correcte versie zou zijn dat zijn onthoofd lijk, samen met een exemplaar van de "Dictionnaire Philosophique" van Voltaire, wegens ketterij op de brandstapel werd gegooid.
Toen hij ongeveer 16 jaar oud was vertrok hij samen met zijn broer Jean-Baptiste naar Abbeville bij hun tante Anne Marguerite Feydeau, abdis van de Cisterciënzerabdij van het nabijgelegen Willancourt. Dit gebeurde nadat zijn vader geruïneerd was. Volgens een andere bron nadat de kinderen wees geworden waren. Het één sluit trouwens het andere niet uit. Die papa was er in geslaagd het van zijn vader, die luitenant-generaal van het leger was, geërfde enorme bedrag van 40.000 pond aan renten volledig te verkwanselen.
Abbeville was een zeer vroom provinciestadje waar het (antiklerikale) gedrag van de jonge Jean-François vlug uitbreiding nam en ‘talk of the town’ werd. Uiteindelijk zou het proces en de executie van de Chevalier de La Barre één van de beroemdste zaken worden die door de filosofen van de Verlichting werden ter harte genomen.
DE HEILIGSCHENNIS VAN HET CHRISTUSBEELD
De zaak begint met de ontering, ontdekt op 9 augustus 1765, van het kruisbeeld dat zich op de Pont Neuf van Abbeville bevindt. Dit beeld is op meerdere plaatsen doorkerfd met een snijdend voorwerp. In het verslag van de deurwaarder van de koning is er sprake van “aan het rechterbeen drie kerven van elk een duim lang en vier lijnen diep” en “twee sneden opzij van de maag”. In dit Picardisch dorpje is de ontreddering groot want in de geesten van de mensen is het niet een beeld of symbool dat toegetakeld is, maar God zelf. Spoedig fluistert men over een geheimzinnige bende die kruisbeelden vernietigt, hosties (het lichaam van Christus) op de grond gooit en met messen doorsteekt. De opschudding is zo groot dat de bisschop van Amiens, Mgr d’Orléans de La Motte, in hoogsteigen persoon en blootsvoets de “herstelling” leidt. Dit gebeurt in het bijzijn van alles wat de streek aan hoogwaardigheidsbekleders te bieden heeft.
Uiteindelijk zal blijken dat de kerven veroorzaakt werden door een passerende met hout geladen kar. Maar het kwaad is geschied.
DE IDEALE SCHULDIGE
Wie heeft die heiligschennis gepleegd? De geruchten koersen in wilde vaart rond. Bij gebrek aan bewijzen gaat men over tot ondervragingen. De pastoors roepen in de zondagsmissen op tot verklikking. Het grootscheepse onderzoek wordt geleid door Duval de Soicour, luitenant bij de politie van Abbeville. Die zal zich met enorme vastberadenheid in het onderzoek vastbijten, en hierbij valse getuigenissen en valse beschuldigingen niet schuwen. Hierin wordt hij resoluut bijgestaan door de luitenant bij de tribunal d’élection Belleval. Sinds zijn liefdesavances aan de tante abdis van het klooster van Willancourt afgewezen werden, heeft die een persoonlijk appeltje te schillen met de Chevalier de La Barre. De Chevalier had hierbij immers Belleval hooghartig bespot.
Geïntimideerd wijzen de ondervraagden naar de Chevalier de La Barre en twee medeplichtigen: Gaillard d’Etallonde (die de zoon was van de voorzitter van het ‘tribunal d’élection’) en Moisnel. Dit drietal had immers publiekelijk twee libertijnse antireligieuze liederen gezongen (in één ervan werd de heilige Maria-Magdalena een hoer genoemd). Daarenboven hadden de snoodaards in juli 1765 hun hoed niet afgenomen toen een processie met het Heilig Sacrament passeerde, en geweigerd te knielen.
Er volgt een huiszoeking bij Chevalier de La Barre en naast “erotische boeken” worden er nog 3 verboden boeken gevonden, waaronder de Dictionnaire Philosophique van de Verlichtingsfilosoof Voltaire. De affaire met het kruisbeeld verdwijnt wat op de achtergrond – de La Barre heeft trouwens een alibi.
Gevaarlijk wordt het voor de Chevalier de La Barre en zijn kompanen als de bisschop van Amiens (Abbeville valt onder zijn bevoegdheid) en traditionalistische gelovigen de zaak aangrijpen om een voorbeeld te stellen. In de verte komt immers de Franse Revolutie er aan (1789), de burgerij is zich al lang aan het roeren om meer macht, de Verlichtingsfilosofen laten van zich horen, de machtskerk wordt meer en meer in vraag gesteld, nieuwe tijden kondigen zich aan, ………
HET PROCES
Chevalier de La Barre denkt dat het o.a. door zijn familierelaties en zijn stand allemaal zo geen vaart zal lopen en bereidt zijn verdediging niet voor. Hij denkt er niet aan te vluchten. Ondanks een opmerkelijk pleidooi van de journalist en advocaat Linguet en de verdediging van de Chevalier in het parlement te Parijs door de vriendenkring rond de abdis van het klooster van Willencourt, wordt de aanvankelijke veroordeling tot de galleien omgezet in de doodstraf. De franse koning Louis XV himself wordt om een tussenkomst gevraagd. Die heeft er alle belang bij de Kerk te vriend te houden. Hij weigert gratie, officieel meldt hij weinig overtuigd te zijn van de argumenten van de verdediging. Zelfs de bisschop van Amiens, die beseft dat een doodstraf als een boemerang kan terugkomen, pleit voor een zachtere straf. Tevergeefs.
De Chevalier de La Barre wordt op 28 februari 1766 veroordeeld tot de kleine en grote foltering teneinde zijn medeplichtigen kenbaar te maken. Daarenboven zal hem de rechterhand worden afgehakt, en zijn tong afgesneden als hij ze zelf voldoende ver uitsteekt. Indien zijn medewerking te wensen overlaat dient de beul de tong tot aan de wortel met een ijzeren tang uit te rukken. Daarna dient hij onthoofd te worden en verbrand te worden samen met een exemplaar van het bij hem gevonden verboden boek Dictionnaire Philosophique van Voltaire. Er worden te Abbeville geen bereidwillige beulen gevonden (beul was in die tijd een beroep met een zekere standing). Uiteindelijk laat men er vijf uit Parijs overkomen. De beul Sanson neemt de onthoofding op zich. Op 1 juli 1766 wordt de executie uitgevoerd. Een pikant detail dat getuigt van de ingesteldheid van onze ridder: zijn bewaker heeft koffie gekregen om wakker te blijven. Chevalier vraagt ook koffie om wakker te blijven, “er rest me nog tijd genoeg om te slapen".
De tong verwijderen heeft twee voordelen: niet alleen wordt het wapen van de misdaad verwijderd zodat hij zelfs in de hel geen godslasterlijke praat meer zal uitslaan, maar daarenboven wil men zoveel mogelijk voorkomen dat hij op het schavot nog godslasterlijke (of opstandige) preken zou houden.
De laatste woorden van de Chevalier de la Barre waren typisch voor de 19-jarige jongere: “Ik had nooit gedacht dat men voor zo iets pietluttigs een eerbiedwaardig man ter dood zou brengen.” Zijn as werd, ter hoogte van het befaamde kruisbeeld, in de Somme gegooid. Thans staat er op de brug een monument met als inscriptie: “En commémoration du martyre du Chevalier de la Barre, supplicié a Abbeville le 1 juillet 1766, à l’age de 19 ans, pour avoir omis de saluer une procession”.
Deze executie deed de bevolking van Abbeville zo gruwen dat het onderzoek naar andere verdachten (met een uitzondering voor Gaillard d’Etallonde) nooit tot een proces leidde. Moisnel, die slechts 15 jaar jong was, bekende enkele goddeloosheden en kwam er met een boete vanaf.
Gaillard d’Etallonde (18 jaar) wordt eveneens veroordeeld. Hem moet op dezelfde manier de tong verwijderd worden en voor het hoofdportaal van de kerk de rechterhand worden afgehakt. Daarna moet hij op een vuilniskar naar het Marktplein worden gevoerd en met een ijzeren ketting aan een paal worden vastgeketend. Hierna wordt hij op een klein vuur levend verbrand.
Gaillard is echter realistischer (en heeft in tegenstelling tot de Chevalier wel het geld) en vlucht eerst naar Holland, en krijgt daar via Voltaire een job in het Pruisische leger.
De kerk herdenkt de zaak op haar manier: in 1775 komt er een nieuw kruisbeeld op de Pont Neuf van Abbeville. Voor die gelegenheid richt men een nieuwe brandstapel op, deze keer met de boeken van Voltaire en J.J. Rousseau.
VOLTAIRE EN DE VERLICHTING
Voltaire zal zijn uiterste best doen, eerst om hem vrij te krijgen en daarna om hem te rehabiliteren. Voltaire zal dit zelf nooit meemaken (hij sterft in 1778). Het blijft wachten tot na de Franse revolutie: de Conventie zal Chevalier de 25e Brumaire van het jaar II (15 november 1793) in eer herstellen. Intussen had de revolutie de begrippen "goddeloosheid" en "ketterij" in 1791 uit het strafrecht gehaald.
In 1774 verschijnen van Voltaire twee traktaten. “Relation de la mort du Chevalier de La Barre à Monsieur le Marquis de Beccaria” en “le Cri d’un sang innocent”. Voltaire wordt vervolgd wegens die boeken, maar zit intussen ongenaakbaar in Zwitserland. Via Diderot wordt hij op de hoogte gehouden.
De geschiedenis van de Chevalier heeft ook stof tot theater geleverd:
• Fabre d’Eglantine zijn Augusta (gespeeld in oktober 1787)
• Marsollier speelde in het théâtre des Italiens in juli 1791 het éénakter Chevalier de la Barre.
Het blijft echter wachten tot 9 december 1905 voor de wet tot scheiding tussen kerk en staat er komt.
In veel Franse steden en gemeenten vind je een straat, plein of beeld dat naar de Chevalier verwijst. We vermelden in het bijzonder dat van Parijs.
HET MONUMENT TE PARIJS MONTMARTRE
De bewoners van de Parijse wijk Montmartre hadden tot het laatst energiek deelgenomen aan de revolte die gekend zou worden als "de Commune van Parijs" van 1871. Daarvoor moesten ze gestraft worden. Niet alleen met gevangenis, galleien of verbanning ... ze moesten ook vernederd worden, dagelijks aan hun nederlaag herinnerd worden. Hoe kon men dit beter doen dan midden hun wijk, op het hoogste punt van Parijs een basiliek te bouwen om "Frankrijk te redden dat het verdiend had door God gestraft te worden wegens het aanmoedigen van de revolutionaire geest in de wereld".
In 1897 vraagt een comité van vrijdenkers aan de Parijse gemeenteraad om een standbeeld ter ere van Chevalier de la Barre op te mogen richten op een publiek plantsoen vlak voor de basiliek. Met succes: op 3 september 1905 wordt het beeld, ontworpen door Armand Bloch, door een menigte van 25.000 vrijdenkers "ingewijd". Op 4, 5 en 6 september wordt het Internationaal Congres van de Vrijdenkers gehouden. Een delegatie van de vrijmetselaarsloge Grand Orient de France is aanwezig. Ze worden op het stadhuis van Parijs ontvangen, meerdere gemeenteraadsleden waren trouwens lid van het comité.
In 1926 wordt de site heringericht, hierdoor verhuist het beeld naar de zijkant van de basiliek, square Nadar. Het is hierdoor niet langer een doorn in het oog van de bedevaarders.
Op 11 oktober 1941 beslist de, met de Duitsers samenwerkende, Vichy regering om alle metalen standbeelden te hersmelten. Uitzondering wordt gemaakt voor beelden van heiligen, koningen en koninginnen. Op vrijstelling moeten de beelden van humanisten, slachtoffers van de onverdraagzame kerk of filosofen niet rekenen. Chevalier de la Barre, Etienne Dolet, Voltaire, Rousseau, Condorcet, Victor Hugo, Diderot, Marat, Gambetta, Fourrier, Lavoisier, Brocat, Maria Deraismes, ... hen wacht de smeltoven. Maar de stenen sokkel met het opschrift "Chevalier de la Barre supplicié à l'âge de 19 ans pour n'avoir pas salué une procession" blijft op de plaats, Square Nadar. Op 24 februari 2001 kwam er een nieuw beeld. Vlak achter de basiliek is er trouwens een rue du Chevalier de la Barre, tussen de rue Ramey en de rue du Mont-Cenis.
OORLOGSVOERING IN DE TIJD VAN TOEN
Vanuit mijn zetel zat ik naar de wereld te kijken (via de tv uiteraard). Het was hetzelfde nieuws als dat van de dag ervoor, en de dag ervoor, en de maand ervoor: oorlog en oorlogsdreigingen, terrorisme en andere varianten. Plots viel het mij op dat de nieuwsvertelster (het ging over Oost-Kongo) het had over de uitzonderlijke wreedheid waarmee die oorlog gevoerd werd. Uiteraard werd er gedood, maar eveneens massaal geplunderd, verkracht en verminkt. Nu weet ik niet waar die mevrouw geschiedenislessen heeft gekregen, maar bijscholing heeft ze nog niet gevolgd.
Voor zover bekend gaan zelfs de oudste oorlogen gepaard met voornoemde ingrediënten. Onlangs las ik nog een boek over de aller-allereerste menssoorten, en ja hoor: men heeft ontdekt dat er voortdurend razzia’s waren op elkaars buurstammen. Ook met dezelfde ingrediënten.
Ik dacht aan een gesprek met De Goede God. Een gesprek met de Goede God is echt niet moeilijk. Je hoeft maar de Bijbel te lezen, dat is het woord van God. Geen gelovige die daar aan twijfelt. De keuze was echter moeilijk: dat boek staat vol met slachtpartijen die Het Uitverkoren Volk in Zijn naam heeft aangericht. Nemen we bijvoorbeeld het Boek Numeri, hoofdstuk 31.
Jehova ( = De Goede God) beveelt Mozes oorlog te voeren met de Midianieten. Wie die Midianieten zijn en waarom ze een oorlog op hun dak krijgen, dat wordt niet vermeldt, tenzij dat zij “… de zonen van Israël tot het plegen van ontrouw tegenover Jehova (trachten) te bewegen”. Dat kunt ge, als ge een beetje god zijt, niet ongestraft laten passeren.
Met 12.000 man trok het Leger van God ten strijde. De heilige gereedschappen (niet verduidelijkt) en de trompetten worden meegenomen. De strijd was succesvol: … “en zij gingen ertoe over allen die van het manlijk geslacht waren, te doden.” Zelfs de koningen en hun zonen werden gedood. “Maar de zonen van Israel voerden de vrouwen van Midian en hun kleinen als gevangenen weg; en al hun huisdieren en al hun vee en al hun middelen voor levensonderhoud plunderden zij.” Verder worden hun steden en kampementen in brand gestoken.
Mozes, die van het rieten mandje en het opensplijten van de zee, was zoals het een leider betaamt, thuis gebleven. Toen hij zijn overwinnend leger zag aankomen, “werd hij verontwaardigd. Daarom zei Mozes tot hen: hebt gij iedere vrouwelijke persoon in het leven gelaten?” De vertegenwoordiger van God op aarde schiet in een Hebreeuwse colère en brult hen toe: “Nu dan, doodt al wat manlijk is onder de kleinen, en doodt iedere vrouw die gemeenschap met een man heeft gehad door bij een persoon van het manlijk geslacht te liggen. En laat alle kleinen onder de vrouwen, die de daad van het liggen bij een persoon van het manlijk geslacht niet hebben gekend, voor u in leven”. Kort samengevat: de maagden mochten in leven blijven.
“Nu zei Jehova het volgende tot Mozes: neem het totaal op van het roofgoed, de gevangenen van zowel mensen als huisdieren … en gij moet het roofgoed in tweeën verdelen tussen de deelnemers aan de strijd die te velde zijn uitgetrokken, één ziel op de 500 afnemen (offeren) van de mensen, het rundvee, de ezels en het kleinvee. Van de Israëlieten die niet aan de gevechten deelgenomen hebben dient één ziel van de mensen op 50 (plus nog een opsomming van het deel uit de veestapel) aan God geofferd te worden. Dit alles dient naar de priester Eleazar gebracht te worden.”
In vers 32, 40 onthouden we uit de boekhoudkundige lijst dat 32 menselijke zielen aan God werden geofferd. Zoals het in iedere godsdienst past nemen de leider (Mozes) en de priester (Eleazar) massa’s goud en juwelen ten persoonlijken titel aan; alhoewel zij ver van het front waren gebleven.
Zo, moordend en brandend, verschijnen de kinderen van God aan het beloofde land. Dat is echter al bewoond, op de koop toe door aanbidders van een concurrerende God. In vers 33, 55 laat hij zijn wensen kennen: “indien gij de bewoners van het land niet van voor uw aangezicht zult verdrijven, …. Dan zullen ze als doornen in uw zijden zijn…. U benauwen in het land waar gij zult wonen.” Daarvoor had God al de opdracht gegeven de oorspronkelijke godsdienst te elimineren: “ …. en al hun stenen figuren vernietigen, en al hun beelden van gegoten metaal dient gij te vernietigen, en al hun heilige hoge plaatsen dient gij te verwoesten”.
Nu staat de Bijbel vol van zulke toestanden. Nog eentje omdat we het niet laten kunnen: Samuel 1, 15. Bij de oorlog tegen Amalek wordt koning Agag gevangen genomen, “en al het overige volk gaf hij aan de vernietiging prijs met de scherpte van het zwaard”. Saul valt bij God in ongenade omdat hij het leven van …. het klein- en rundvee gespaard had !!!! Saul verscheurt zijn lidkaart van Gaia,, maar het mag niet baten: hij valt bij God volledig in ongenade. Niets mocht van Amalek overblijven. Ook de gevangen genomen koning niet: “toen hakte Samuël Agag in stukken voor het aangezicht van Jehovah te Gilgal.” Gods bevelen waren immers duidelijk: “….. en gij moogt geen mededogen met hen hebben, en gij moet hen ter dood brengen, zowel man als vrouw, zowel kind als zuigeling, zowel stier als schaap, zowel kameel als ezel.”
Zo staat de bijbel vol van wetenswaardigheden. Bv uit het boek Leviticus: een priester mag een vrouw tot zich nemen, maar het moet een maagd zijn. Als de dochter van een priester zich overgeeft aan prostitutie, dan ontwijdt ze niet alleen zichzelf maar ook haar vader. Zij dient in het vuur verbrand te worden. God denkt ook aan alles: wanneer een man of vrouw vleselijke gemeenschap met een dier gehad hebben dan dienen zij gedood te worden, samen met het dier in kwestie (begaan dieren zonden ?). Zo ook mag er in de kerk door NIEMAND wijn gedronken worden (dus zondigen alle priesters?). En wat van de wet van God over de gehandicapten die ter communie willen gaan: “geen enkele man … aan wie een gebrek blijkt te zijn, mag naderbij komen om het brood van zijn God aan te bieden”
Uiteraard weten wij dat er geen Goden bestaan. De bijbel is dus hoogstens een historisch document. Weliswaar met verrassende uitspraken (volgens Leviticus 11, 6 is een haas een herkauwer) die bv. een leraar biologie in het vrij onderwijs voor problemen kan stellen.
Dus ongevaarlijk? Naar aanleiding van de komende presidentsverkiezingen in de USA zag ik enkele documentaires over de gedachtegang van de Creationisten die zweren dat iedere letter van de bijbel waar is. Niet alleen het boek Genesis met het scheppingsverhaal, maar ALLES.
Als er zo een creationist begint kun je hem altijd hiermee confronteren. Maar veel belangrijker is hun verontrustende aanhang bij het Amerikaanse (en zelfs ander) volk, dat hun leiders kiest. Leiders die de wereldpolitiek bepalen. Dit geldt niet alleen voor christelijke fundamentalisten, maar ook voor diegenen die God Allah noemen, en zijn regels letterlijk nemen. Zo maakt de Koran een onderscheid tussen 2 soorten “ongelovigen”: de eerste zijn zij die in 1 enkele god geloven (de ware) maar één en ander niet goed begrepen hebben. Dit zijn bv. de Christenen en de Joden. Zij mogen een beetje gepest worden, ja zelfs wat gevangen gezet en gemarteld: allemaal politiek correct, maar je mag ze eigenlijk niet zomaar doden (tenzij ze Allah beledigen). Daartegenover heb je de ECHTE, les vrais: polytheïsten zoals de Hindoes, animisten met al hun geesten en goden, en …. atheïsten zonder goden. Die mag je gerust doden, liefst door ze de keel over te snijden, gezicht richting Mekka.
Nog een afsluitertje: in India is de tweede grootste partij (slechts enkele % achterop) die van de fundamentalistische Hindoes, die het o.a. beu zijn dat Indische Islamieten minder belastingen moeten betalen in een land dat door de Hindoegoden geschapen werd. De regeringen hadden hier hun redenen voor: de islamieten rustig in het land houden en vermijden dat ze naar het strikt islamitische Pakistan zouden emigreren, en dus hun buur versterken.
Voor ik volledig “bangelijk” wordt: er is hoop: (Prediker 1, 1-14) “Welk voordeel is er voor een mens gelegen in al zijn harde werk waaraan hij hard werkt onder de zon? Ik zag alle werken die onder de zon werden gedaan, en zie! Alles was ijdelheid en een najagen van wind“ Laat ons allen dus, op bevel van God, een beetje meer hedonistisch atheïst worden!
SARKOZY EN GOD IN FRANKRIJK
SARKOZY EN GOD IN FRANKRIJK
Henri IV was koning van Frankrijk van 1589 tot 1610. Daar heeft hij wel iets moeten voor doen: zich bekeren tot het katholicisme. Hij tilde daar niet zwaar aan (“Paris vaut bien une messe”) en met het Edict van Nantes in 1598 stond hij godsdienstvrijheid toe.
Sindsdien is het de gewoonte dat de goede relaties tussen Parijs en Rome-Vaticaanstad gevisualiseerd worden doordat de paus aan de leider van Frankrijk de eretitel van kanunnik van St. Jan van Lateranen toekent. De meeste Franse leiders trokken zich daar weinig van aan, Mitterand en Pompidou zijn zelfs op de uitnodiging niet ingegaan.
Met Sarkozy stond dat anders: pas verkozen stond hij al bij de paus om zijn eretitel in ontvangst te nemen. Of de drankduivel hem daar parten speelde durven we betwijfelen, feit blijft dat de President van de seculiere staat Frankrijk daar enkele krassen uitspraken deed, o.a. lang uitwijdend over de “hoofdzakelijk christelijke roots van Frankrijk”. We citeren nog de President: “Een gelovige is een mens die hoopt, het is in het belang van Frankrijk dat veel mannen en vrouwen hopen.” “Religie is geen gevaar, maar een aanwinst”. Hij rakelde ook de (bloedige) Franse schoolstrijd op, door te stellen dat als het er op aankomt het verschil tussen goed en kwaad aan te duiden, de priester dat nog altijd beter kan dan de schoolmeester.
Dit zijn geen losse flodders: zowel op het UMP partijcongres als bij zijn bezoek aan kanselier Angela Merkel zei hij dat het een vergissing was geweest in de Europese Grondwet de verwijzing naar de christelijke wortels van Europa te schrappen.
In Ryad, Saudi Arabië (een land gekend om zijn interpretatie van godsdienstvrijheid) slaagde hij er in tijdens een speech voor de Raad (als President van het seculiere Frankrijk) liefst 13 keer te verwijzen naar God. Hij verwees daarbij naar een “Transcendente God die in de gedachten en harten van ALLE mensen aanwezig is”. Dat was belangrijk nieuws voor de naar schatting 15 miljoen Franse atheïsten.
Een On Line enquête (de betrouwbaarheid van dergelijke enquêtes laten we in het midden) gaf hem 73% afkeuring. Een petitie leverde in 4 dagen tijd 20.000 handtekeningen op. François Bayrou (voorzitter van de Centristische Partij en praktiserend katholiek) waarschuwde Sarkozy dat hij een doos van Pandora openzette als hij de scheiding tussen kerk en staat bleef aanvallen.
Een kant van Sarkozy die weinig publiek gekend was. Men had het nochtans kunnen weten door zijn boek uit 2004 ‘Republiek, Religie en Hoop’ te lezen. Toen hij minister van Binnenlandse Zaken was, viel religieuze zaken onder zijn bevoegdheid. Zijn meest controversiële zet was het aan boord hijsen van de ‘Union des Organisations Islamiques de France’, een organisatie die banden heeft met de Egyptische – en daar verboden – Islamitische Broederschap (o.a. verantwoordelijk voor de moord op tientallen toeristen bij de Luxor tempels. In zijn boek bepleit Sarkozy de invoer van religie als kalmerende factor in de Franse banlieus. Later zouden die banlieus Sarkozy nog helder voor de geest staan, met brandende auto’s op de achtergrond en zijn eigen politieagenten die beschoten werden. In naam zijn de jongeren van die wijken toch al religieus, zij het niet bij de goede afdeling. Nog te Rome noemde Sarkozy de banlieus ‘religieuze woestijnen’. Als Sarkozy zijn idee om daar opnieuw ‘de juiste religie’ in te voeren, doorzet, dan zou ik reisjes naar Parijs met de wagen toch afraden …. Critici vrezen dat een eventuele terugval van de criminaliteit wel eens de bloei van het fundamentalisme zou kunnen inluidden.
Sinds de wet op de scheiding tussen kerk en staat (1905) staat men zeer sterk op het uitvoeren ervan. Godsdienst is er een zuiver privézaak. Zo begrijpen ze niet dat in Amerika (wettelijk eveneens scheiding tussen kerk en staat) er op de dollarbiljetten “In God We Trust” gedrukt staat. Wat trouwens gezien de toestand van de Amerikaanse economie niet veel heeft geholpen.
Zijn woordvoerders zijn voortdurend in de weer om alles te minimaliseren, maar anderen vrezen dat Sarkozy een lont in het kruitvat heeft gestoken, maar van geen blussende brandweer moet weten.
Het is dus duidelijk dat niet alleen in het verre Turkije de seculiere staat onder vuur ligt van de fundamentalisten en hun politieke poppen. Ook dicht bij ons (bij ons?) is de aanval ingezet.