woensdag 11 maart 2009
CHEVALIER DE LA BARRE
DE LAATSTE DIE IN FRANKRIJK TER DOOD WERD VEROORDEELD WEGENS GODSLASTERING
Echte naam : François Jean Lefebvre de La Barre, genoemd Chevalier de La Barre naar zijn vaders eretitel. La Barre is een gemeente in het Franse departement Haute-Saône (regio Franche-Comté), waar trouwens de fictieve captain Jean-Luc Picard van het ruimteschip Enterprise op 13-7-2305 geboren werd (Star Trek).
Geboren in Frankrijk in 1746 in het kasteel van Férolles-en-Brie (thans Férolles-Attilly) zal hij sterven op de brandstapel te Abbeville (Fr) op de 1e juli van 1766. 1 juli is sindsdien de al dan niet officieel erkende "dag van het atheïsme".
OPMERKING: de Petit Larousse Illustré meldt enkel dat de Chevalier onthoofd werd. Dit lijkt weinig waarschijnlijk aangezien de onthoofding geen religieuze straf was (eerder voor moordenaars en gewone misdadigers). Daarenboven werd de guillotine slechts in 1791 als humanisering van de doodstraf ingevoerd, de hakbijl lijkt als straf voor de “Chevalier” niet voor de hand te liggen. De correcte versie zou zijn dat zijn onthoofd lijk, samen met een exemplaar van de "Dictionnaire Philosophique" van Voltaire, wegens ketterij op de brandstapel werd gegooid.
Toen hij ongeveer 16 jaar oud was vertrok hij samen met zijn broer Jean-Baptiste naar Abbeville bij hun tante Anne Marguerite Feydeau, abdis van de Cisterciënzerabdij van het nabijgelegen Willancourt. Dit gebeurde nadat zijn vader geruïneerd was. Volgens een andere bron nadat de kinderen wees geworden waren. Het één sluit trouwens het andere niet uit. Die papa was er in geslaagd het van zijn vader, die luitenant-generaal van het leger was, geërfde enorme bedrag van 40.000 pond aan renten volledig te verkwanselen.
Abbeville was een zeer vroom provinciestadje waar het (antiklerikale) gedrag van de jonge Jean-François vlug uitbreiding nam en ‘talk of the town’ werd. Uiteindelijk zou het proces en de executie van de Chevalier de La Barre één van de beroemdste zaken worden die door de filosofen van de Verlichting werden ter harte genomen.
DE HEILIGSCHENNIS VAN HET CHRISTUSBEELD
De zaak begint met de ontering, ontdekt op 9 augustus 1765, van het kruisbeeld dat zich op de Pont Neuf van Abbeville bevindt. Dit beeld is op meerdere plaatsen doorkerfd met een snijdend voorwerp. In het verslag van de deurwaarder van de koning is er sprake van “aan het rechterbeen drie kerven van elk een duim lang en vier lijnen diep” en “twee sneden opzij van de maag”. In dit Picardisch dorpje is de ontreddering groot want in de geesten van de mensen is het niet een beeld of symbool dat toegetakeld is, maar God zelf. Spoedig fluistert men over een geheimzinnige bende die kruisbeelden vernietigt, hosties (het lichaam van Christus) op de grond gooit en met messen doorsteekt. De opschudding is zo groot dat de bisschop van Amiens, Mgr d’Orléans de La Motte, in hoogsteigen persoon en blootsvoets de “herstelling” leidt. Dit gebeurt in het bijzijn van alles wat de streek aan hoogwaardigheidsbekleders te bieden heeft.
Uiteindelijk zal blijken dat de kerven veroorzaakt werden door een passerende met hout geladen kar. Maar het kwaad is geschied.
DE IDEALE SCHULDIGE
Wie heeft die heiligschennis gepleegd? De geruchten koersen in wilde vaart rond. Bij gebrek aan bewijzen gaat men over tot ondervragingen. De pastoors roepen in de zondagsmissen op tot verklikking. Het grootscheepse onderzoek wordt geleid door Duval de Soicour, luitenant bij de politie van Abbeville. Die zal zich met enorme vastberadenheid in het onderzoek vastbijten, en hierbij valse getuigenissen en valse beschuldigingen niet schuwen. Hierin wordt hij resoluut bijgestaan door de luitenant bij de tribunal d’élection Belleval. Sinds zijn liefdesavances aan de tante abdis van het klooster van Willancourt afgewezen werden, heeft die een persoonlijk appeltje te schillen met de Chevalier de La Barre. De Chevalier had hierbij immers Belleval hooghartig bespot.
Geïntimideerd wijzen de ondervraagden naar de Chevalier de La Barre en twee medeplichtigen: Gaillard d’Etallonde (die de zoon was van de voorzitter van het ‘tribunal d’élection’) en Moisnel. Dit drietal had immers publiekelijk twee libertijnse antireligieuze liederen gezongen (in één ervan werd de heilige Maria-Magdalena een hoer genoemd). Daarenboven hadden de snoodaards in juli 1765 hun hoed niet afgenomen toen een processie met het Heilig Sacrament passeerde, en geweigerd te knielen.
Er volgt een huiszoeking bij Chevalier de La Barre en naast “erotische boeken” worden er nog 3 verboden boeken gevonden, waaronder de Dictionnaire Philosophique van de Verlichtingsfilosoof Voltaire. De affaire met het kruisbeeld verdwijnt wat op de achtergrond – de La Barre heeft trouwens een alibi.
Gevaarlijk wordt het voor de Chevalier de La Barre en zijn kompanen als de bisschop van Amiens (Abbeville valt onder zijn bevoegdheid) en traditionalistische gelovigen de zaak aangrijpen om een voorbeeld te stellen. In de verte komt immers de Franse Revolutie er aan (1789), de burgerij is zich al lang aan het roeren om meer macht, de Verlichtingsfilosofen laten van zich horen, de machtskerk wordt meer en meer in vraag gesteld, nieuwe tijden kondigen zich aan, ………
HET PROCES
Chevalier de La Barre denkt dat het o.a. door zijn familierelaties en zijn stand allemaal zo geen vaart zal lopen en bereidt zijn verdediging niet voor. Hij denkt er niet aan te vluchten. Ondanks een opmerkelijk pleidooi van de journalist en advocaat Linguet en de verdediging van de Chevalier in het parlement te Parijs door de vriendenkring rond de abdis van het klooster van Willencourt, wordt de aanvankelijke veroordeling tot de galleien omgezet in de doodstraf. De franse koning Louis XV himself wordt om een tussenkomst gevraagd. Die heeft er alle belang bij de Kerk te vriend te houden. Hij weigert gratie, officieel meldt hij weinig overtuigd te zijn van de argumenten van de verdediging. Zelfs de bisschop van Amiens, die beseft dat een doodstraf als een boemerang kan terugkomen, pleit voor een zachtere straf. Tevergeefs.
De Chevalier de La Barre wordt op 28 februari 1766 veroordeeld tot de kleine en grote foltering teneinde zijn medeplichtigen kenbaar te maken. Daarenboven zal hem de rechterhand worden afgehakt, en zijn tong afgesneden als hij ze zelf voldoende ver uitsteekt. Indien zijn medewerking te wensen overlaat dient de beul de tong tot aan de wortel met een ijzeren tang uit te rukken. Daarna dient hij onthoofd te worden en verbrand te worden samen met een exemplaar van het bij hem gevonden verboden boek Dictionnaire Philosophique van Voltaire. Er worden te Abbeville geen bereidwillige beulen gevonden (beul was in die tijd een beroep met een zekere standing). Uiteindelijk laat men er vijf uit Parijs overkomen. De beul Sanson neemt de onthoofding op zich. Op 1 juli 1766 wordt de executie uitgevoerd. Een pikant detail dat getuigt van de ingesteldheid van onze ridder: zijn bewaker heeft koffie gekregen om wakker te blijven. Chevalier vraagt ook koffie om wakker te blijven, “er rest me nog tijd genoeg om te slapen".
De tong verwijderen heeft twee voordelen: niet alleen wordt het wapen van de misdaad verwijderd zodat hij zelfs in de hel geen godslasterlijke praat meer zal uitslaan, maar daarenboven wil men zoveel mogelijk voorkomen dat hij op het schavot nog godslasterlijke (of opstandige) preken zou houden.
De laatste woorden van de Chevalier de la Barre waren typisch voor de 19-jarige jongere: “Ik had nooit gedacht dat men voor zo iets pietluttigs een eerbiedwaardig man ter dood zou brengen.” Zijn as werd, ter hoogte van het befaamde kruisbeeld, in de Somme gegooid. Thans staat er op de brug een monument met als inscriptie: “En commémoration du martyre du Chevalier de la Barre, supplicié a Abbeville le 1 juillet 1766, à l’age de 19 ans, pour avoir omis de saluer une procession”.
Deze executie deed de bevolking van Abbeville zo gruwen dat het onderzoek naar andere verdachten (met een uitzondering voor Gaillard d’Etallonde) nooit tot een proces leidde. Moisnel, die slechts 15 jaar jong was, bekende enkele goddeloosheden en kwam er met een boete vanaf.
Gaillard d’Etallonde (18 jaar) wordt eveneens veroordeeld. Hem moet op dezelfde manier de tong verwijderd worden en voor het hoofdportaal van de kerk de rechterhand worden afgehakt. Daarna moet hij op een vuilniskar naar het Marktplein worden gevoerd en met een ijzeren ketting aan een paal worden vastgeketend. Hierna wordt hij op een klein vuur levend verbrand.
Gaillard is echter realistischer (en heeft in tegenstelling tot de Chevalier wel het geld) en vlucht eerst naar Holland, en krijgt daar via Voltaire een job in het Pruisische leger.
De kerk herdenkt de zaak op haar manier: in 1775 komt er een nieuw kruisbeeld op de Pont Neuf van Abbeville. Voor die gelegenheid richt men een nieuwe brandstapel op, deze keer met de boeken van Voltaire en J.J. Rousseau.
VOLTAIRE EN DE VERLICHTING
Voltaire zal zijn uiterste best doen, eerst om hem vrij te krijgen en daarna om hem te rehabiliteren. Voltaire zal dit zelf nooit meemaken (hij sterft in 1778). Het blijft wachten tot na de Franse revolutie: de Conventie zal Chevalier de 25e Brumaire van het jaar II (15 november 1793) in eer herstellen. Intussen had de revolutie de begrippen "goddeloosheid" en "ketterij" in 1791 uit het strafrecht gehaald.
In 1774 verschijnen van Voltaire twee traktaten. “Relation de la mort du Chevalier de La Barre à Monsieur le Marquis de Beccaria” en “le Cri d’un sang innocent”. Voltaire wordt vervolgd wegens die boeken, maar zit intussen ongenaakbaar in Zwitserland. Via Diderot wordt hij op de hoogte gehouden.
De geschiedenis van de Chevalier heeft ook stof tot theater geleverd:
• Fabre d’Eglantine zijn Augusta (gespeeld in oktober 1787)
• Marsollier speelde in het théâtre des Italiens in juli 1791 het éénakter Chevalier de la Barre.
Het blijft echter wachten tot 9 december 1905 voor de wet tot scheiding tussen kerk en staat er komt.
In veel Franse steden en gemeenten vind je een straat, plein of beeld dat naar de Chevalier verwijst. We vermelden in het bijzonder dat van Parijs.
HET MONUMENT TE PARIJS MONTMARTRE
De bewoners van de Parijse wijk Montmartre hadden tot het laatst energiek deelgenomen aan de revolte die gekend zou worden als "de Commune van Parijs" van 1871. Daarvoor moesten ze gestraft worden. Niet alleen met gevangenis, galleien of verbanning ... ze moesten ook vernederd worden, dagelijks aan hun nederlaag herinnerd worden. Hoe kon men dit beter doen dan midden hun wijk, op het hoogste punt van Parijs een basiliek te bouwen om "Frankrijk te redden dat het verdiend had door God gestraft te worden wegens het aanmoedigen van de revolutionaire geest in de wereld".
In 1897 vraagt een comité van vrijdenkers aan de Parijse gemeenteraad om een standbeeld ter ere van Chevalier de la Barre op te mogen richten op een publiek plantsoen vlak voor de basiliek. Met succes: op 3 september 1905 wordt het beeld, ontworpen door Armand Bloch, door een menigte van 25.000 vrijdenkers "ingewijd". Op 4, 5 en 6 september wordt het Internationaal Congres van de Vrijdenkers gehouden. Een delegatie van de vrijmetselaarsloge Grand Orient de France is aanwezig. Ze worden op het stadhuis van Parijs ontvangen, meerdere gemeenteraadsleden waren trouwens lid van het comité.
In 1926 wordt de site heringericht, hierdoor verhuist het beeld naar de zijkant van de basiliek, square Nadar. Het is hierdoor niet langer een doorn in het oog van de bedevaarders.
Op 11 oktober 1941 beslist de, met de Duitsers samenwerkende, Vichy regering om alle metalen standbeelden te hersmelten. Uitzondering wordt gemaakt voor beelden van heiligen, koningen en koninginnen. Op vrijstelling moeten de beelden van humanisten, slachtoffers van de onverdraagzame kerk of filosofen niet rekenen. Chevalier de la Barre, Etienne Dolet, Voltaire, Rousseau, Condorcet, Victor Hugo, Diderot, Marat, Gambetta, Fourrier, Lavoisier, Brocat, Maria Deraismes, ... hen wacht de smeltoven. Maar de stenen sokkel met het opschrift "Chevalier de la Barre supplicié à l'âge de 19 ans pour n'avoir pas salué une procession" blijft op de plaats, Square Nadar. Op 24 februari 2001 kwam er een nieuw beeld. Vlak achter de basiliek is er trouwens een rue du Chevalier de la Barre, tussen de rue Ramey en de rue du Mont-Cenis.
OORLOGSVOERING IN DE TIJD VAN TOEN
Vanuit mijn zetel zat ik naar de wereld te kijken (via de tv uiteraard). Het was hetzelfde nieuws als dat van de dag ervoor, en de dag ervoor, en de maand ervoor: oorlog en oorlogsdreigingen, terrorisme en andere varianten. Plots viel het mij op dat de nieuwsvertelster (het ging over Oost-Kongo) het had over de uitzonderlijke wreedheid waarmee die oorlog gevoerd werd. Uiteraard werd er gedood, maar eveneens massaal geplunderd, verkracht en verminkt. Nu weet ik niet waar die mevrouw geschiedenislessen heeft gekregen, maar bijscholing heeft ze nog niet gevolgd.
Voor zover bekend gaan zelfs de oudste oorlogen gepaard met voornoemde ingrediënten. Onlangs las ik nog een boek over de aller-allereerste menssoorten, en ja hoor: men heeft ontdekt dat er voortdurend razzia’s waren op elkaars buurstammen. Ook met dezelfde ingrediënten.
Ik dacht aan een gesprek met De Goede God. Een gesprek met de Goede God is echt niet moeilijk. Je hoeft maar de Bijbel te lezen, dat is het woord van God. Geen gelovige die daar aan twijfelt. De keuze was echter moeilijk: dat boek staat vol met slachtpartijen die Het Uitverkoren Volk in Zijn naam heeft aangericht. Nemen we bijvoorbeeld het Boek Numeri, hoofdstuk 31.
Jehova ( = De Goede God) beveelt Mozes oorlog te voeren met de Midianieten. Wie die Midianieten zijn en waarom ze een oorlog op hun dak krijgen, dat wordt niet vermeldt, tenzij dat zij “… de zonen van Israël tot het plegen van ontrouw tegenover Jehova (trachten) te bewegen”. Dat kunt ge, als ge een beetje god zijt, niet ongestraft laten passeren.
Met 12.000 man trok het Leger van God ten strijde. De heilige gereedschappen (niet verduidelijkt) en de trompetten worden meegenomen. De strijd was succesvol: … “en zij gingen ertoe over allen die van het manlijk geslacht waren, te doden.” Zelfs de koningen en hun zonen werden gedood. “Maar de zonen van Israel voerden de vrouwen van Midian en hun kleinen als gevangenen weg; en al hun huisdieren en al hun vee en al hun middelen voor levensonderhoud plunderden zij.” Verder worden hun steden en kampementen in brand gestoken.
Mozes, die van het rieten mandje en het opensplijten van de zee, was zoals het een leider betaamt, thuis gebleven. Toen hij zijn overwinnend leger zag aankomen, “werd hij verontwaardigd. Daarom zei Mozes tot hen: hebt gij iedere vrouwelijke persoon in het leven gelaten?” De vertegenwoordiger van God op aarde schiet in een Hebreeuwse colère en brult hen toe: “Nu dan, doodt al wat manlijk is onder de kleinen, en doodt iedere vrouw die gemeenschap met een man heeft gehad door bij een persoon van het manlijk geslacht te liggen. En laat alle kleinen onder de vrouwen, die de daad van het liggen bij een persoon van het manlijk geslacht niet hebben gekend, voor u in leven”. Kort samengevat: de maagden mochten in leven blijven.
“Nu zei Jehova het volgende tot Mozes: neem het totaal op van het roofgoed, de gevangenen van zowel mensen als huisdieren … en gij moet het roofgoed in tweeën verdelen tussen de deelnemers aan de strijd die te velde zijn uitgetrokken, één ziel op de 500 afnemen (offeren) van de mensen, het rundvee, de ezels en het kleinvee. Van de Israëlieten die niet aan de gevechten deelgenomen hebben dient één ziel van de mensen op 50 (plus nog een opsomming van het deel uit de veestapel) aan God geofferd te worden. Dit alles dient naar de priester Eleazar gebracht te worden.”
In vers 32, 40 onthouden we uit de boekhoudkundige lijst dat 32 menselijke zielen aan God werden geofferd. Zoals het in iedere godsdienst past nemen de leider (Mozes) en de priester (Eleazar) massa’s goud en juwelen ten persoonlijken titel aan; alhoewel zij ver van het front waren gebleven.
Zo, moordend en brandend, verschijnen de kinderen van God aan het beloofde land. Dat is echter al bewoond, op de koop toe door aanbidders van een concurrerende God. In vers 33, 55 laat hij zijn wensen kennen: “indien gij de bewoners van het land niet van voor uw aangezicht zult verdrijven, …. Dan zullen ze als doornen in uw zijden zijn…. U benauwen in het land waar gij zult wonen.” Daarvoor had God al de opdracht gegeven de oorspronkelijke godsdienst te elimineren: “ …. en al hun stenen figuren vernietigen, en al hun beelden van gegoten metaal dient gij te vernietigen, en al hun heilige hoge plaatsen dient gij te verwoesten”.
Nu staat de Bijbel vol van zulke toestanden. Nog eentje omdat we het niet laten kunnen: Samuel 1, 15. Bij de oorlog tegen Amalek wordt koning Agag gevangen genomen, “en al het overige volk gaf hij aan de vernietiging prijs met de scherpte van het zwaard”. Saul valt bij God in ongenade omdat hij het leven van …. het klein- en rundvee gespaard had !!!! Saul verscheurt zijn lidkaart van Gaia,, maar het mag niet baten: hij valt bij God volledig in ongenade. Niets mocht van Amalek overblijven. Ook de gevangen genomen koning niet: “toen hakte Samuël Agag in stukken voor het aangezicht van Jehovah te Gilgal.” Gods bevelen waren immers duidelijk: “….. en gij moogt geen mededogen met hen hebben, en gij moet hen ter dood brengen, zowel man als vrouw, zowel kind als zuigeling, zowel stier als schaap, zowel kameel als ezel.”
Zo staat de bijbel vol van wetenswaardigheden. Bv uit het boek Leviticus: een priester mag een vrouw tot zich nemen, maar het moet een maagd zijn. Als de dochter van een priester zich overgeeft aan prostitutie, dan ontwijdt ze niet alleen zichzelf maar ook haar vader. Zij dient in het vuur verbrand te worden. God denkt ook aan alles: wanneer een man of vrouw vleselijke gemeenschap met een dier gehad hebben dan dienen zij gedood te worden, samen met het dier in kwestie (begaan dieren zonden ?). Zo ook mag er in de kerk door NIEMAND wijn gedronken worden (dus zondigen alle priesters?). En wat van de wet van God over de gehandicapten die ter communie willen gaan: “geen enkele man … aan wie een gebrek blijkt te zijn, mag naderbij komen om het brood van zijn God aan te bieden”
Uiteraard weten wij dat er geen Goden bestaan. De bijbel is dus hoogstens een historisch document. Weliswaar met verrassende uitspraken (volgens Leviticus 11, 6 is een haas een herkauwer) die bv. een leraar biologie in het vrij onderwijs voor problemen kan stellen.
Dus ongevaarlijk? Naar aanleiding van de komende presidentsverkiezingen in de USA zag ik enkele documentaires over de gedachtegang van de Creationisten die zweren dat iedere letter van de bijbel waar is. Niet alleen het boek Genesis met het scheppingsverhaal, maar ALLES.
Als er zo een creationist begint kun je hem altijd hiermee confronteren. Maar veel belangrijker is hun verontrustende aanhang bij het Amerikaanse (en zelfs ander) volk, dat hun leiders kiest. Leiders die de wereldpolitiek bepalen. Dit geldt niet alleen voor christelijke fundamentalisten, maar ook voor diegenen die God Allah noemen, en zijn regels letterlijk nemen. Zo maakt de Koran een onderscheid tussen 2 soorten “ongelovigen”: de eerste zijn zij die in 1 enkele god geloven (de ware) maar één en ander niet goed begrepen hebben. Dit zijn bv. de Christenen en de Joden. Zij mogen een beetje gepest worden, ja zelfs wat gevangen gezet en gemarteld: allemaal politiek correct, maar je mag ze eigenlijk niet zomaar doden (tenzij ze Allah beledigen). Daartegenover heb je de ECHTE, les vrais: polytheïsten zoals de Hindoes, animisten met al hun geesten en goden, en …. atheïsten zonder goden. Die mag je gerust doden, liefst door ze de keel over te snijden, gezicht richting Mekka.
Nog een afsluitertje: in India is de tweede grootste partij (slechts enkele % achterop) die van de fundamentalistische Hindoes, die het o.a. beu zijn dat Indische Islamieten minder belastingen moeten betalen in een land dat door de Hindoegoden geschapen werd. De regeringen hadden hier hun redenen voor: de islamieten rustig in het land houden en vermijden dat ze naar het strikt islamitische Pakistan zouden emigreren, en dus hun buur versterken.
Voor ik volledig “bangelijk” wordt: er is hoop: (Prediker 1, 1-14) “Welk voordeel is er voor een mens gelegen in al zijn harde werk waaraan hij hard werkt onder de zon? Ik zag alle werken die onder de zon werden gedaan, en zie! Alles was ijdelheid en een najagen van wind“ Laat ons allen dus, op bevel van God, een beetje meer hedonistisch atheïst worden!
SARKOZY EN GOD IN FRANKRIJK
SARKOZY EN GOD IN FRANKRIJK
Henri IV was koning van Frankrijk van 1589 tot 1610. Daar heeft hij wel iets moeten voor doen: zich bekeren tot het katholicisme. Hij tilde daar niet zwaar aan (“Paris vaut bien une messe”) en met het Edict van Nantes in 1598 stond hij godsdienstvrijheid toe.
Sindsdien is het de gewoonte dat de goede relaties tussen Parijs en Rome-Vaticaanstad gevisualiseerd worden doordat de paus aan de leider van Frankrijk de eretitel van kanunnik van St. Jan van Lateranen toekent. De meeste Franse leiders trokken zich daar weinig van aan, Mitterand en Pompidou zijn zelfs op de uitnodiging niet ingegaan.
Met Sarkozy stond dat anders: pas verkozen stond hij al bij de paus om zijn eretitel in ontvangst te nemen. Of de drankduivel hem daar parten speelde durven we betwijfelen, feit blijft dat de President van de seculiere staat Frankrijk daar enkele krassen uitspraken deed, o.a. lang uitwijdend over de “hoofdzakelijk christelijke roots van Frankrijk”. We citeren nog de President: “Een gelovige is een mens die hoopt, het is in het belang van Frankrijk dat veel mannen en vrouwen hopen.” “Religie is geen gevaar, maar een aanwinst”. Hij rakelde ook de (bloedige) Franse schoolstrijd op, door te stellen dat als het er op aankomt het verschil tussen goed en kwaad aan te duiden, de priester dat nog altijd beter kan dan de schoolmeester.
Dit zijn geen losse flodders: zowel op het UMP partijcongres als bij zijn bezoek aan kanselier Angela Merkel zei hij dat het een vergissing was geweest in de Europese Grondwet de verwijzing naar de christelijke wortels van Europa te schrappen.
In Ryad, Saudi Arabië (een land gekend om zijn interpretatie van godsdienstvrijheid) slaagde hij er in tijdens een speech voor de Raad (als President van het seculiere Frankrijk) liefst 13 keer te verwijzen naar God. Hij verwees daarbij naar een “Transcendente God die in de gedachten en harten van ALLE mensen aanwezig is”. Dat was belangrijk nieuws voor de naar schatting 15 miljoen Franse atheïsten.
Een On Line enquête (de betrouwbaarheid van dergelijke enquêtes laten we in het midden) gaf hem 73% afkeuring. Een petitie leverde in 4 dagen tijd 20.000 handtekeningen op. François Bayrou (voorzitter van de Centristische Partij en praktiserend katholiek) waarschuwde Sarkozy dat hij een doos van Pandora openzette als hij de scheiding tussen kerk en staat bleef aanvallen.
Een kant van Sarkozy die weinig publiek gekend was. Men had het nochtans kunnen weten door zijn boek uit 2004 ‘Republiek, Religie en Hoop’ te lezen. Toen hij minister van Binnenlandse Zaken was, viel religieuze zaken onder zijn bevoegdheid. Zijn meest controversiële zet was het aan boord hijsen van de ‘Union des Organisations Islamiques de France’, een organisatie die banden heeft met de Egyptische – en daar verboden – Islamitische Broederschap (o.a. verantwoordelijk voor de moord op tientallen toeristen bij de Luxor tempels. In zijn boek bepleit Sarkozy de invoer van religie als kalmerende factor in de Franse banlieus. Later zouden die banlieus Sarkozy nog helder voor de geest staan, met brandende auto’s op de achtergrond en zijn eigen politieagenten die beschoten werden. In naam zijn de jongeren van die wijken toch al religieus, zij het niet bij de goede afdeling. Nog te Rome noemde Sarkozy de banlieus ‘religieuze woestijnen’. Als Sarkozy zijn idee om daar opnieuw ‘de juiste religie’ in te voeren, doorzet, dan zou ik reisjes naar Parijs met de wagen toch afraden …. Critici vrezen dat een eventuele terugval van de criminaliteit wel eens de bloei van het fundamentalisme zou kunnen inluidden.
Sinds de wet op de scheiding tussen kerk en staat (1905) staat men zeer sterk op het uitvoeren ervan. Godsdienst is er een zuiver privézaak. Zo begrijpen ze niet dat in Amerika (wettelijk eveneens scheiding tussen kerk en staat) er op de dollarbiljetten “In God We Trust” gedrukt staat. Wat trouwens gezien de toestand van de Amerikaanse economie niet veel heeft geholpen.
Zijn woordvoerders zijn voortdurend in de weer om alles te minimaliseren, maar anderen vrezen dat Sarkozy een lont in het kruitvat heeft gestoken, maar van geen blussende brandweer moet weten.
Het is dus duidelijk dat niet alleen in het verre Turkije de seculiere staat onder vuur ligt van de fundamentalisten en hun politieke poppen. Ook dicht bij ons (bij ons?) is de aanval ingezet.DE SLIMME PASTOOR
HET TESTAMENT VAN JEAN MESLIER
“Hij (IB: de jezuïet Cristovao Ferreira die in 1636 in zijn boek ‘Het Onthulde Bedrog’ de Godsdienst en zijn nevenverschijnselen zwaar aanvalt, maar nergens beweert dat God niet bestaat) is dus nog niet de eerste atheïst, maar we zijn wel warm …. Het mirakel geschiedt weldra, dankzij een andere priester, abt Meslier.” Uit: Atheologie, Michel Onfray.
Of we nu behoefte hebben aan een ‘stichter’ is een discussie die een volwaardige toog als decor nodig heeft. Blijft evenwel dat priester Jean Meslier (15 juni 1664 – juni 1729) met zijn nagelaten geschriften een storm heeft doen losbarsten. Na zijn dood dus, want hij had geen zin in een martelaarsrol: “ik wil pas branden na mijn dood! Na mijn dood mogen ze met mij doen wat ze willen … ze mogen me zelfs opeten met de saus die ze verkiezen.” Niet behorende tot de klasse der machthebbers of door hen beschermd, niet rijk genoeg om zich veilig in het buitenland te vestigen, lijkt zijn keuze voor de hand liggend. Zijn bezittingen werden, volgens zijn wens, onder zijn parochianen verdeeld. Hij werd in zijn tuin begraven.
Hij wordt weleens de eerste communist genoemd (zijn naam stond in 1919 te Moskou op een obelisk ter ere van de eerste communistische denkers). In 1793 wordt hij door A. Cloots in de Convention Nationale genomineerd voor een standbeeld als eerste republikeins priester. Hij werd opgenomen in het Pantheon. We kunnen hier nog aan toevoegen dat hij waarschijnlijk de eerste gekende dierenrechten-activist was. Hij merkt terecht op dat god van in het begin (Kaïn en Abel) dierenoffers verkiest boven landbouwgewassen. Waarom moeten die onschuldige dieren gedood worden? Als dieren niet kunnen denken (Descartes) dan is de stap klein om te stellen dat ze niet kunnen lijden en in de schepping als inferieur werden ontworpen, uitsluitend ten dienste van de mens.
Zoon van een eenvoudige maar niet onbemiddelde textielhandelaar – handwerker, was hij van 1689 tot 1729 pastoor te Etrepigny en But-Balaives, niet ver van Charleville-Mézières in de Franse Ardennes-Champagnes. Het is eveneens in die streek (Varennes) dat in 1791 de Franse koning Louis XVI gearresteerd wordt tijdens zijn vlucht (op 21 januari 1793 wordt hij ter dood gebracht). Er is niets op abé Meslier aan te merken. Slechts 1 keer wordt hij na een klacht bij de bisschop van Reims in 1716 op het matje geroepen: hij had in de preek opgeroepen niet langer te bidden voor het zielenheil van de brutale landheer de Touilly. Hij preekt de volgende keer met een oproep te bidden voor de landheer opdat deze menselijker zou worden… Alle getuigen – zelfs zijn tegenstanders – zijn het er over eens dat hij zeer begaan was met de armen en zelfs zijn inkomen met hen deelde.
Hoe kwam hij ertoe priester te worden? Hij was een begaafd leerling en werd opgemerkt door een talentscout voor het seminarie. Zijn ouders waren niet zo armlastig dat ze geen werkkracht konden missen, en een priester in de familie stond goed. Wie afstudeerde kon enkele parochies krijgen (naargelang de positie van de priester een rijke of arme parochie), of verder studeren. Een krachtige roeping was hierbij niet nodig. Denken we vb. aan de encyclopedist Diderot die ook in die tijd een soortgelijke loopbaan had, maar zijn abbé-jas vlug aan de kapstok hing.
Het zgn. Testament is in werkelijkheid een boekdeel van 366 bladzijden, groot formaat in octavo, wat in een moderne en vrij compacte versie toch nog een boek van meer dan 600 blz. oplevert. Er werden 3 handgeschreven exemplaren van teruggevonden, waarschijnlijk is een vierde exemplaar ‘verdwenen’. In alle stilte werden deze boeken vlug gekopieerd, lees overgeschreven, en onder de toog verkocht voor 10 gouden Louis. Het werd meer verkocht dan ‘les pensées’ van Pascal. Door deductie uit citaten kunnen we afleiden dat het boek rond 1726 zijn definitieve vorm kreeg. De volledige titel van het boek is meerdere lijnen lang; ook zijn teksten zijn uitlopend en herhalen zichzelf dikwijls. In de titel komt echter duidelijk de bedoeling naar voor: “… de la fausseté de toutes les divinités. Et de toutes les religions du monde …” In de praktijk beperkt hij zich tot het christendom – dat hij uiteraard het best kent - en slechts in geringe mate heeft hij het over de islam en het judaïsme. In zijn analyse neemt hij uitgebreid de tijd (een niet nader genoemde bron stelde dat hij schreef zoals hij preekte) om aan de hand van de bijbel tegenspraken, onmogelijkheden, haat tegen de mensheid en dieren, wetenschappelijk aantoonbare nonsens, … niet alleen het christendom te verwerpen, maar het bestaan van goden van tafel te vegen. Een van de vele argumenten daarbij is zijn vaststelling dat God steeds aan de kant van de machthebbers lijkt te staan, of in ieder geval voor de machthebbers een nuttig middel tegen het volk is (la tyranie des grands). Een volk dat verschrikkelijk lijdt aan ziekten, hongersnood, oorlogen, … en hier pleit hij voor een volledig egalitaire maatschappij: iedereen gelijke rechten maar ook gelijke middelen en collectieve bezittingen. Nogal naïef meent hij dat te kunnen verwezenlijken door zich te verenigen in massale burgerlijke ongehoorzaamheid: na 1 of hooguit 2 generaties zitten de machthebbers (die zelf niets kunnen produceren) huilend op hun knieën. Tegelijk roept hij echter om “dapperen” die een paar machthebbers zouden bijschaven, lees vermoorden: “waar zitten de Brutussen en de Cassiussen?” Vroeger leefden machthebbers niet lang, ze werden in tegenstelling tot nu (de franse Louis) op tijd en stond geliquideerd.
Vrijheid is voor pastoor Meslier niet beperkt tot regeringen. Hij stelt vast dat het huwelijk in veel gevallen niet op liefde maar op geld en macht gebaseerd is. Dit leidt tot allerlei misdaden, ziekten, ongelukkig zijn, …. Schaf dus het huwelijk af en opteer voor een los verband. Zelf was priester Meslier niet gehuwd maar had wel een inwonend jong “nichtje”. Er werd later geïnsinueerd – maar niet bewezen – dat haar deelname aan het huishouden zich niet beperkte tot de kookkunst.
Het beruchtste citaat uit het testament luidt: “Ik zou willen, en dit zou de laatste en vurigste van mijn wensen zijn, ik zou willen dat de laatste koning zou worden gewurgd met de darmen van de laatste priester.” Een Nederlandse tekst, gebaseerd op de korte selectie die door Voltaire anoniem werd verspreid, is te vinden op onderstaande link. Let wel dat Voltaire de hardste passages – uit zelfbehoud – achterwege liet. Naar de Kerk uithalen kon Voltaire wel smaken, maar de Godheid zelf onderuit halen was er over. Ook de aanvallen van Meslier op het eigendomsrecht liet de royalist Voltaire, zelf een succesvol en verre van onbemiddeld zakenman en grootgrondbezitter, liever onuitgegeven. Wat niet wegneemt dat tot begin de jaren 1900 de Larousse encyclopedie Voltaire als waarschijnlijk auteur van het Testament vermeldde. De radicale atheïst baron D’Holbach (1723-1789) zou een onverzachte uitgave publiceren, onder de titel ‘Le bon sens du Curé Jean Meslier, suivi de son testament’. Het oorspronkelijke volledige boek is thans beschikbaar onder de titel ‘Mémoire contre la Religion’ bij Editions Coda (2007) van Presses Universitaires de France.